| 23693 |
tijdelijke aflaat |
tijdelijke aflaat:
tiedelijke aaflaot (L331p Swalmen)
|
Een tijdelijke aflaat. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22779 |
tijdverdrijf: liefhebberij, amusatie |
amusatie:
ammezasie (L331p Swalmen),
liefhebberij:
leefhöbberiej (L331p Swalmen)
|
Amusement, vermaak. || Liefhebberij, hobby.
III-3-2
|
| 22855 |
tijger |
tijger:
tiegər (L331p Swalmen)
|
tijger [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 31740 |
timmeren |
timmeren:
tømǝrǝ (L331p Swalmen)
|
De algemene benaming voor alle werkzaamheden die verband houden met het timmermansvak. [N 55, 169; A 35, 21; L monogr.; monogr.]
II-12
|
| 27253 |
timmerman |
timmerman:
tø ̝mǝrman (L331p Swalmen)
|
Ambachtsman die het timmeren als beroep uitoefent. Tot zijn werkzaamheden behoren het vervaardigen van dakconstructies en balklagen in huizen en het maken van trappen, kozijnen, ramen en deuren. Als aanduiding voor de vakman wordt zowel de benaming timmerman als schrijn(en)werker gebruikt. Schrijnwerker is meer verspreid in Belgisch Limburg, schrijnenwerker in het zuiden van Nederlands Limburg. Wanneer er een onderscheid tussen timmerman en schrijn(en)werker wordt gemaakt, dan duidt de eerste term eerder een vakman aan die timmerwerk in de bouw verricht. Dit is onder meer het geval in Ottersum (L 163), Posterholt (L 387), Geulle (Q 18) en Bilzen (Q 83). De schrijnwerker richt zich dan vooral op het maken van trappen, deuren en ramen. Het woordtype schrijner, dat in het zuidoostelijke deel van het gebied gebruikelijk is, is een algemene benaming voor de timmerman. De vakman die timmerwerk op de bouw verricht, wordt daar ɛbouwschrijnerɛ genoemd.' [N 55, 164a; N 55, 165; RND 6; L 34, 19a; L B1, 115; monogr.]
II-12
|
| 24254 |
tjiftjaf |
grasmus:
graasmös (L331p Swalmen),
tjiftjaf:
tjieftjaf (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
tjiftjaf || tjiftjaf (11 overal waar een gesloten bladerdak is; zang herhaald [tjip-tjep] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 25228 |
tocht, zuiging van lucht |
trek:
trèk (L331p Swalmen),
trêk (L331p Swalmen)
|
tocht, vrij sterke zuiging van de lucht door een beperkte ruimte heen [scheut, trek, zicht, jacht, trok] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24255 |
tochtig |
bokkig:
bukex (L331p Swalmen),
rits:
rēts (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen),
springig:
šprɛŋex (L331p Swalmen)
|
Geslachtsdrift vertonend, gezegd van de geit. [N 19, 70b; N 77, 95; JG 1b; N C, 4c; S 52, L 378 add.; monogr.] || Geslachtsdrift vertonend, gezegd van de koe. [N 3A, 29; N C, 4a; JG 1a, 1b; Gwn V, 3; monogr.; add. uit N 3A, 21; N 3A, 9b] || Geslachtsdrift vertonend, gezegd van het vrouwelijk schaap. [N 19, 70a; N C, 4b; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-11, I-12
|
| 33652 |
toegang tot akker |
opvaart:
opvaart (L331p Swalmen),
vaargat:
vārgā.t (L331p Swalmen)
|
[N 11, 8]
I-8
|
| 21565 |
toegangsprijs |
entree (<fr.):
èntréé (L331p Swalmen)
|
de prijs die men moet betalen om ergens binnen te komen [entree, inkom, inkomgeld, inkomprijs] [N 89 (1982)]
III-3-1
|