| 21818 |
traag praten |
zemelen:
zemele (L331p Swalmen)
|
traag praten [lijzen, zemelen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 19363 |
trage vrouw |
slodder:
sjlôoder (L331p Swalmen)
|
een domme trage vrouw [sarut, sara] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 22512 |
traktatie van jonggehuwden |
aartje:
ārtjə (L331p Swalmen)
|
De tractatie van jonggehuwden aan de buurt [lepik, dourt, hertlooi]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 23099 |
traktatie van jonggehuwden add. |
stoets:
[Vgl. WLD III, 2.3, pag. 88: stoets, Beegden.]
sjtoets (L331p Swalmen),
stoetsgooien:
[Met afbeelding].
sjtoetsgoje (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Stoet: een speciaal voor de gelegenheid gebakken witbrood, dat, gevuld met door bruiloftsgasten geschonken muntstukken, door de bruid of het bruidspaar om twaalf uur s middags voor de dorpsjeugd te grabbel werd gegooid. || Stoetgooien. || Stoetgrijpen (het gebruik als omschreven onder sjtoets).
III-3-2
|
| 21384 |
trakteren |
trakteren (<lat.):
trakteerə (L331p Swalmen)
|
trakteeren [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 17731 |
tranende ogen |
zijpogen:
ziep ougə (L331p Swalmen),
ziepouge (L331p Swalmen)
|
leepogig [SGV (1914)] || oog: tranende ogen [sijp-, siep-, sijper-, seeper-, soep-, leep-, prutooge] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17928 |
trant |
gang:
gank (L331p Swalmen),
gánk (L331p Swalmen)
|
gang: Wijze van gaan (gang, trant). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19378 |
trap |
trap:
⁄n schmaal trap (L331p Swalmen)
|
trap [een smalle ~ ] [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 17958 |
trappelen |
trampelen:
trampele (L331p Swalmen),
trámpele (L331p Swalmen)
|
Trappelen: in vlug tempo de voeten beurtelings oplichten en weer neerzetten (trappelen, trampelen, droebelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 33852 |
trappelende bewegingen maken |
trampelen:
trampǝlǝ (L331p Swalmen)
|
Het paard tilt de poten hoog genoeg op, maar werpt ze niet vooruit; het blijft ter plaatse trappelen. [N 8, 70b en 71]
I-9
|