| 29837 |
uitbranden |
uitbranden:
ūt˱brɛnǝ (L331p Swalmen)
|
Gezegd van ijzerhoudende grond wanneer deze zwart verkleurt (oxydeert) zodra er lucht bij komt. [monogr.]
II-8
|
| 19028 |
uitbrander |
rappelement:
rappelement (L331p Swalmen),
rappelementje:
rappelementje (L331p Swalmen)
|
een lichte afkeuring als straf [ripplement, rappelement, afkemming, kemming, afleiding, schelles, berisping] [N 85 (1981)] || een sterke berisping [uitschijter, schrobbering, schoefeling] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18805 |
uitdenken |
prakkiseren:
prakkezere (L331p Swalmen),
uitdenken:
ôêtdinke (L331p Swalmen)
|
door nadenken ontwerpen; verzinnen [uitfineren, figeleren, uitprakkezeren, bedenken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 29891 |
uitdragen |
uitdragen:
ūt˱drāgǝ (L331p Swalmen)
|
De pannen na het bakproces uit de oven halen. Zie ook het lemma ɛde oven leeghalenɛ.' [monogr.]
II-8
|
| 25567 |
uitdrogen |
korsten:
kǫrstǝ (L331p Swalmen)
|
Gezegd van slecht deeg. [N 29, 29c; monogr.]
II-1
|
| 33185 |
uiteen poten |
ver uiteen:
vɛr utęi̯n (L331p Swalmen),
wijd:
wit (L331p Swalmen)
|
De pootaardappelen verder uiteen zetten dan men gewoonlijk doet. Bij de bijwoordelijke uitdrukkingen in dit lemma moet steeds het werkwoord voor "poten": ɛpoten, plantenɛ of ɛzettenɛ, worden toegevoegd; zie daartoe het lemma Poten. [N M, 18b]
I-5
|
| 32709 |
uiteenploegen |
uitereenvaren:
ūtręi̯.nvã.rǝ (L331p Swalmen)
|
Manier van ploegen (met een "enkele" ploeg), waarbij de voren in de richting van de zijkanten van de akker worden omgekeerd. Nadat men aan een van beide zijden de eerste voor heeft geploegd, laat men de ploeg slepend over de wendakker gaan naar de andere zijde, om daar de tweede voor te ploegen. Via de andere wendakker verplaatst men zich weer naar de overzijde. Achtereenvolgens ploegt men nu de 3e voor tegen de Ie, de 4e tegen de 2e, enz. Terwijl de sleepweg van de ploeg over de wendakkers steeds korter wordt, komen de beide voren dichter bij elkaar te liggen, totdat zij midden op de akker bij elkaar komen en daar een greppel of laagte vormen. Voor de termen aanschieten op de reen en op de reen beginnen zie men ook het lemma de eerste voor ploegen, onder C. [N 11, 48; N 11A, 121a; JG 1a + 1b; A 33, 1a + b; monogr.]
I-1
|
| 21827 |
uiten |
uiten:
oēte (L331p Swalmen)
|
uitspreken; te kennen geven [uiten, uiteren, lossen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 34189 |
uiterontsteking, mastitis |
zwerende uier:
žwē̜rǝnt yi̯ǝr (L331p Swalmen)
|
Door het feit dat de natte spenen (melk) een geschikte voedingsbodem vormen voor bacteriën en door de plaats van de uier (mest en vuil) is de kans op infectie groot. Streptococcen zijn de belangrijkste ziekteverwekkers. Bij een acute ontsteking is de uier gezwollen, pijnlijk en rood. De melk is meestal waterachtig en bevat vlokjes. Bij slepende gevallen vertoont de uier plaatstelijk knobbels en verhardingen. De melk ziet er meestal normaal uit (Berns, blz. 118). Zie ook wbd I.3, blz. 461. [N 52, 5a; A 48A, 10a; monogr.]
I-11
|
| 21443 |
uitgaan |
op schots gaan:
Van Dale: I. schots, 1. (veroud.) op lompe, ruwe, aanmatigende wijze?
op sjoets gaon (L331p Swalmen)
|
uitgaan, cafés bezoeken, aan de zwier gaan [lelijkeren, op de scheut gaan] [N 87 (1981)]
III-3-1
|