| 29889 |
demphout |
demphout:
dɛmphǫwt (L331p Swalmen)
|
Het hout dat wordt gebruikt bij het blauwstoken van dakpannen. In L 290 werden daarvoor elzeschansen (ęlz\ēans\) gebruikt. In L 270 bestond het ɛdemphoutɛ uit op 1 m lengte gezaagd, halfdroog dennehout (Tegels Dialek, pag. 81), terwijl in L 331 de knoder (knø̜̜̄̄r) of stokken (ētø̜k) van dennebomen werden gebruikt. Dit waren de onderste delen van de boom met de wortels. Ook in L 374 en L 381 was het woord knoder in deze betekenis bekend (Donkers, pag. 49).' [N 49, 68b; monogr.]
II-8
|
| 33916 |
dempig |
(het heeft het) op de adem:
ǫp ǝ ǭm (L331p Swalmen),
dempig:
dɛmpex (L331p Swalmen)
|
Gezegd van runderen of paarden met dempigheid, een bemoeilijking van de ademhaling; bij runderen is het vaak een naziekte van het mond- en klauwzeer. Het paard vertoont een versnelde ademhaling, gepaard met een temperatuursverhoging en hoesten. Dempigheid of kortademigheid is niet chronisch, in tegenstelling tot ''cornage'' (7.38). [JG 1b; A 48A, 38a; L 1, a-m; L 23, 1a en 1b; N 8, 87, 88 en 89a; N 52, 24; S 6]
I-9
|
| 24526 |
den |
den:
WLD
dèn (L331p Swalmen),
grove den:
graove den (L331p Swalmen)
|
De den (in het bijzonder de grove den) (den, del, mast, spar). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 22116 |
denkbeeldige lijn tussen hok en losplaats |
vlieglijn:
vleeg lien (L331p Swalmen)
|
Hoe zegt men: de denkbeeldige lijn tussen hok en losplaats? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 19048 |
denken |
denken:
dinkə (L331p Swalmen)
|
denken [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 24476 |
dennenappel |
dennenknop:
denneknoep (L331p Swalmen),
dennəknoep (L331p Swalmen),
WLD
dènne-knŏĕp (L331p Swalmen)
|
De vrucht van een den, denne-appel (prop, bol, kegel, knop, fobbes, kroot, krutje, rots, dop, papekul, noot, kooi, tod, pil, appel). [N 82 (1981)] || dennenappel [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 22087 |
dennennaalden |
dennennaalden:
dennənoaldj (L331p Swalmen),
spangen:
(spang) (L331p Swalmen)
|
dennennaald [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24566 |
dennentakje met een harsknopje |
lampje:
WLD
lèmpke (L331p Swalmen)
|
Een dennetakje met een bolvormig knopje terpentijn aan het einde (oliekop, olieknop, olielampje, luchtlampje). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24537 |
dennenwortel |
boks:
WLD
bôôks (L331p Swalmen),
piel:
de pīē.l (L331p Swalmen),
peel (L331p Swalmen),
poest:
pōēs (L331p Swalmen)
|
De wortel van een denneboom (puist, stronk, wortel, stol). [N 82 (1981)] || penvormige wortel van een denneboom [N 27 (1965)]
III-4-3
|
| 32961 |
derde grasoogst |
derde loop:
dęrdǝ lǫu̯p (L331p Swalmen)
|
Het gras dat in de derde beurt wordt afgegraasd; vaak vindt men dezelfde naam als de derde hooioogst, die immers ook vaak wordt afgegraasd. Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf (''nagras''). [N 14, 129c]
I-3
|