| 32957 |
derde hooioogst |
derde snid:
dęrdǝ šnē.t (L331p Swalmen)
|
Uitdrukkelijk gevraagd naar de derde hooioogst, gaven sommige informanten de volgende antwoorden; vaak werd deze derde oogst echter niet meer gemaaid maar door de koeien of schapen afgegraasd. Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf. [N 14, 128d]
I-3
|
| 19167 |
deugniet |
deugeniet:
deugeneet (L331p Swalmen),
deugeniks:
dougenieks (L331p Swalmen),
deugniet:
deugneet (L331p Swalmen),
rotzak:
rôotsak (L331p Swalmen),
warslap:
wéérslàp (L331p Swalmen)
|
deugniet [SGV (1914)] || een ondeugend kind [stinkgat, deugniet] [N 85 (1981)] || een ondeugende jongen die allerlei streken uithaalt [pagadder, horzak, luifer] [N 85 (1981)] || stout, niet gehoorzamend aan bevelen, vooral gezegd van kinderen [ondeugend, ondeugendig, deugnietachtig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18291 |
deuk in een hoed |
dumpel:
dumpel (L331p Swalmen)
|
deuk in een hoed [dömpel] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 19684 |
deur |
deur:
dø̄r (L331p Swalmen)
|
[rnd 109; S 6; L 1 a-m; L 12, 5; L A2, 265; monogr.; Vld.; div.]
II-9
|
| 19372 |
deurknop, deurklink |
klink:
klink (L331p Swalmen)
|
Knop of handgreep waarmee men een deur opent of sluit (klink, kruk, knop) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 30357 |
deurkruk, deurklink |
klink:
kleŋk (L331p Swalmen)
|
Handvat met ijzeren pin dat door de deurstijl in het slot wordt gestoken en dient om de dagschoot van het slot terug te kunnen trekken. Zie ook het lemma 'Dagschoot'. In Q 95 werd het woord 'klink' zowel gebruikt voor de ring of kruk aan de buitenkant van een deur waarmee men het sluitijzer kon oplichten, als voor het sluitijzer aan de binnenkant van de deur. [N 54, 100; N 79, 8; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 29803 |
deuropening |
deurgat:
dø̄̄rgāt (L331p Swalmen)
|
Opening in de wand waardoor de produkten in en uit de kamers van de vlamoven gedragen werden. [monogr.]
II-8
|
| 33451 |
deurtje in een poortvleugel |
poortje:
pø̜rtjǝ (L331p Swalmen)
|
Om aan personen toegang te verlenen en om dan niet de gehele vleugel te moeten openen is er in een poortvleugel vaak een deurtje, dat meestal niet tot beneden reikt, waardoor men echt binnen moet stappen. Vaak is het zo klein dat men slechts in gebukte houding er door kan. Meestal is de poortvleugel niet gehalveerd. Door de functionele overeenkomst zijn de benamingen soms ook in gebruik voor het onderste deel van een gehalveerde poortvleugel (zie het lemma "onderdeur", 4.1.9). Doorgaans is uit de benamingen voor dergelijke deurtjes in de poorten van schuur en stal op te maken waar ze zich bevinden. Toegevoegd zijn ook de enkele aparte benamingen voor de toegangsdeur náást de poort. Zie ook afbeelding 18.f bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 42b; N 4, 38; JG 1a en 1b; monogr.; add. uit N 5A, 77d]
I-6
|
| 21493 |
deurwaarder |
deurwaarder:
deurwaarder (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
de ambtenaar bij de rechtbank die belast is met de dienst op de terechtzittingen, het doen van aanzeggingen [bijv. van belastingschuld enz. [vorster, deurwaarder] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 23652 |
devotiecommunie |
communie (<lat.):
kemuunie (L331p Swalmen)
|
De devotie-communie. [N 96B (1989)]
III-3-3
|