| 24201 |
kwartel |
kwartel:
kwartel (L246a Swolgen)
|
kwartel [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 32254 |
kwast, noest |
noest:
nus (L246a Swolgen
[(meervoud: nyst)]
),
nust (L246a Swolgen
[(meervoud: nyst)]
)
|
Een onregelmatigheid in de houtstructuur van een boom. Kwasten ontstaan op plaatsen waar zich een tak bevindt of heeft bevonden. Zie ook afb. 204. Vgl. voor het woordtype aast ook het Hgd. Ast. [N E, 1; N 50, 76f; N 75, 97a-b; monogr.]
II-12
|
| 24880 |
kweek |
puinen:
puine (L246a Swolgen),
pø̜i̯nǝ (L246a Swolgen),
± Veldeke Additie bij vraag 1 e.v. (voor L 245b): Puine waren de wortelstokken van kweekgras agropyron repens
puine (L246a Swolgen, ...
L246a Swolgen)
|
Elymus repens (L.) Gould Zeer algemeen voorkomend hardnekkig onkruid op gras- en bouwland en op akkerranden, dat er grasachtig uitziet met een rechtopstaande aar en donker- tot grijsgroen blad. Het bloeit van juni tot augustus. De lengte varieert van 30 tot 120 cm. Het is een lastig kruipend onkruid met veel onderaardse wortelstokken, die wel als veevoeder gebruikt worden. De boer verwijdert het met de eg uit de akker. Deze plant is ook wel bekend onder de oude naam kweekgras of tarwegras (Triticum repens L.). Zie in verband met de vele puin-opgaven de speciale bibliografie onder Goossens 1985; 1987 en 1988, 109-126. [N 11, 71; JG 1a, 1b, 2c; A 27, 24b; A 28, 10; A 29, 6 en 9; A 33, 17; L 34, 52; L 48, 18; Lu 2, 18; Lu 4, 9; S 20; monogr.; add. uit N 11, 70, 72, 80a en 88] || kweek [N 92 (1982)] || kweekgras [N 92 (1982)] || kweekgras - wortelstok
I-5, III-4-3
|
| 33552 |
kweepeer |
kwee:
kwej (L246a Swolgen),
kwi-j (L246a Swolgen),
kweepeer:
kwi-j pèèr (L246a Swolgen)
|
kwee [SGV (1914)] || kweepeer [SGV (1914)]
I-7
|
| 21344 |
kwellen |
kwellen:
kwèlle (L246a Swolgen)
|
kwellen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 19980 |
kwispelstaarten |
kwispelen:
kwĭspele (L246a Swolgen)
|
kwispelstaarten [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 24925 |
laag grond |
laag:
loag (L246a Swolgen)
|
laag (znw.) [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33659 |
laaggelegen weidegrond |
broek:
brūk (L246a Swolgen)
|
Laaggelegen, vaak natte weidegrond, die men meestal gebruikt om te hooien. Vergelijk ook lemma 1.3.3 ɛbeemdɛ.' [N 14, 52; N P, 5; JG, 1a, 1b; S 5; A 10, 4; RND 20; L 19b, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33650 |
laagte in een akker |
del:
dɛl (L246a Swolgen)
|
Laagte of kuil waar de grond steeds vochtig blijft of waar water blijft staan. [N 11, 3a, N 11, add.; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33699 |
laagte in het landschap |
laagte:
lęxt (L246a Swolgen)
|
Een laagte in het landschap in het algemeen. Vergelijk ook lemma 1.2.8 ɛlaagte in een akkerɛ.' [L 29, 30; Wi 11; A 10, 4; S 20]
I-8
|