| 19365 |
leep, doortrapt |
bij de stoffen:
beej de stŏŏfe (L246a Swolgen)
|
leep [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 30816 |
leerjongen |
schoesterjong:
sxustǝrjoŋ (L246a Swolgen)
|
Jongen die bij de schoenmaker inkomt om het vak te leren. [N 60, 217a; monogr.]
II-10
|
| 30796 |
leerlooier |
leerlooier:
lę̄rlojǝr (L246a Swolgen)
|
Persoon die huiden bereidt tot leer door looiing. [S 22; monogr.]
II-10
|
| 30861 |
leest |
leest:
lęjs (L246a Swolgen),
lęst (L246a Swolgen)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|
| 22749 |
leeuw |
leeuw:
lieew (L246a Swolgen)
|
leeuw [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 20110 |
leeuwenbek |
gaper:
gaper (L246a Swolgen),
slofje:
slufkes (L246a Swolgen)
|
leeuwenbek (plant) || leeuwenbek, bloem
III-4-3
|
| 34067 |
lege eerste koe |
schot:
sxǫt (L246a Swolgen),
weischot:
weischot (L246a Swolgen)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 17815 |
leggen |
leggen:
lègge (L246a Swolgen)
|
leggen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17643 |
lende |
lende:
lênde (L246a Swolgen)
|
lendenen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 24895 |
lente, voorjaar |
lente:
lênte (L246a Swolgen)
|
lente [SGV (1914)]
III-4-4
|