| 20909 |
mayonaise |
mayonaise:
màjjənés (L246a Swolgen)
|
mayonaise [RND]
III-2-3
|
| 18129 |
mazelen |
mazelen:
mazele (L246a Swolgen),
mazeren:
mazere (L246a Swolgen)
|
mazelen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 26517 |
meelbak |
meelbak:
[meel]bak (L246a Swolgen)
|
De houten bak onderaan de meelpijp waaraan de te vullen meelzak wordt bevestigd. Zie ook afb. 83 en 84. Het woorddeel ømeelŋ- is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 24c; A 42A, 41; Sche 56; Vds 164; Jan 168; Coe 153; Grof 182; N D, 23; monogr.; A 42A, 40; N O, 24a; N D, 33]
II-3
|
| 24639 |
meeldauw |
gelf:
gelf (L246a Swolgen)
|
meeldauw
III-4-3
|
| 26459 |
meeljagers |
jagers:
jāgǝrs (L246a Swolgen),
meeljagers:
mēǝljāgǝrs (L246a Swolgen)
|
De twee ijzers of lapjes aan de loper die dienen om het meel naar de meelpijp te drijven. De meeljagers zijn bevestigd ofwel aan de ijzeren banden die de loper moeten verstevigen ofwel in de kraangaten van de loper. [N O, 18s; Vds 158; Jan 163; Coe 148; Grof 175; A 42A, 31 add.; A 42A, add. N D, add.]
II-3
|
| 24422 |
meelworm, larve van de meeltor |
meelworm:
mèèlwörm (L246a Swolgen)
|
meelworm
III-4-2
|
| 20407 |
meerderjarig |
mondig:
mŭndig (L246a Swolgen)
|
mondig [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 32635 |
meerscharige ploegen |
drieschaar:
drisxār (L246a Swolgen),
vierschaar:
virsxār (L246a Swolgen)
|
Met een meerscharige ploeg wordt een ploeg bedoeld die uitgerust is met twee, drie of meer scharen en waarmee evenzovele voren tegelijk omgeploegd worden. Over het algemeen - en uit een aantal benamingen blijkt dat ook - gebruikt men deze ploeg voor het oppervlakkig ploegwerk met name voor het omploegen van een stoppelveld. Van de onderstaande woordtypen die met drie- beginnen, vertegenwoordigt het eerste lid tevens dialectvarianten van het type drij. [N 11, 30; N 11A , 75 a-c ; N J, 10; JG 2b-4, 1; monogr.]
I-1
|
| 21273 |
meester |
meester:
meister (L246a Swolgen),
mɛistər (L246a Swolgen)
|
(school)meester [RND] || meester [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 33337 |
meid, dienstmeid |
bode:
bǭi̯ (L246a Swolgen),
maagd:
māt (L246a Swolgen)
|
Meid is een noordelijke vorm, een samentrekking uit maged, maagd. Kok en keukense slaan op de keukenmeid. Dienstbode is een expansie uit de (Noord-)Nederlandse standaardtaal. [L 1, a-m; L 1u, 156; L 38, 10; RND 118; R 12, 30; S 6 en 23; Wi 6; monogr.]
I-6
|