| 20482 |
nicht |
nicht:
nīcht (L246a Swolgen)
|
nicht
III-2-2
|
| 34154 |
niet drachtig |
gust:
gøst (L246a Swolgen)
|
[JG 1a, 1b; Gwn V, 4; monogr.]
I-11
|
| 30331 |
niet haaks |
schiks:
sxeks (L246a Swolgen)
|
Niet zuiver rechthoekig, gezegd van bijvoorbeeld een werkstuk. [N 53, 199b; monogr.]
II-12
|
| 18921 |
nietsnut |
knungel:
cf. WNT VII-2 s.v. "knungel - knongel = klungel - klongel
knungel (L246a Swolgen),
lapzwans:
lapzwāns (L246a Swolgen),
niksnutter:
niksnutter (L246a Swolgen),
schei-kerel (< du.):
schijskel (L246a Swolgen)
|
nietsnut || nietswaardig persoon || vent van niks
III-1-4
|
| 25172 |
nieuwe maan |
duistere maan:
duuster moan (L246a Swolgen)
|
maan [donkere ~] [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19052 |
nieuws |
nieuws:
nĭ-js (L246a Swolgen)
|
nieuws [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 19010 |
nieuwsgierig |
nieuwsgierig:
ni-jschĭrrig (L246a Swolgen),
ni-jsgierig (L246a Swolgen)
|
nieuwsgierig [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18020 |
niezen |
niesten:
nieste (L246a Swolgen)
|
niezen, proesten [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 30857 |
nijptang |
nijptang:
nīptaŋ (L246a Swolgen)
|
In dit lemma zijn de benamingen opgenomen voor tangen van diverse vorm en grootte die vooral dienen om spijkers uit trekken, maar vaak ook gebruikt worden om draadnagels of metaaldraad af te knippen. Zie ook afb. 144. Uit het Leuvens materiaal L B2, 228-229 blijkt, dat het woordtype trektang vooral de benaming is voor een vrij grote tang waarmee spijkers kunnen worden uitgetrokken. [N 33, 180; N 64, 47b; L B2, 228-229; monogr.; div.]
II-11
|
| 21401 |
niks waard |
niks waard:
wĕrd (L246a Swolgen)
|
waard (dat is niets ~) [SGV (1914)]
III-3-1
|