| 30213 |
nok |
vorst:
vǭrst (L246a Swolgen)
|
De bovenste liggende balk in het dakgebint waartegen de kepers rusten. De nokgording heeft doorgaans een doorsnede van 9,5 x 9,5 cm. Onder nok of vorst verstaat men ook dikwijls het hoogst gelegen gedeelte van een dak, de dakbedekking inbegrepen. Zie ook het lemma 'ruiter' en afb. 49j en 85. [S 41; N 32, 43d; N 54, 161; L 8, 66a; L 12, 9; L B1, 169; monogr.; div.; Vld.]
II-9
|
| 20810 |
nootmuskaat |
muskaat:
bəsxōͅt (L246a Swolgen),
notemuskaat:
nōtəbəsxōͅt (L246a Swolgen)
|
muskaat || muskaatnoot
III-2-3
|
| 21348 |
nors |
stuurs:
stoers (L246a Swolgen)
|
norsch (barsch) [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 24947 |
oever |
inzich:
ieezieïg (L246a Swolgen),
kant:
kant (L246a Swolgen),
Opm. v.d. invuller: oever wordt niet gebruikt.
kant (L246a Swolgen)
|
oever [DC 02 (1932)], [SGV (1914)] || oeverhelling [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 24900 |
ogenblikje, korte tijd, eventjes |
eventjes:
efkes (L246a Swolgen)
|
eventjes
III-4-4
|
| 33558 |
okkernoot |
noot:
neut (L246a Swolgen),
noot (L246a Swolgen),
m.
noot (L246a Swolgen),
walnoot:
walnoot (L246a Swolgen)
|
noot (vrucht) [SGV (1914)] || noten (mv.) [SGV (1914)] || walnoot
I-7
|
| 20547 |
olie |
olie:
ŏlie (L246a Swolgen)
|
olie [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 26677 |
oliemolen |
oliemolen:
ǫli[molen] (L246a Swolgen)
|
Wind-, water- of rosmolen waarin uit zaden olie wordt geslagen. Het zaad wordt daartoe gekneusd met behulp van de zgn. kollergang bestaande uit twee verticaal geplaatste loperstenen. Het geplette zaad wordt in een pan verhit en vervolgens in wollen zakjes (builen) geborgen, waarna de builen in leren omslagen met een paardeharen voering gelegd worden. Het op deze wijze verpakte warme zaadmeel wordt daarna tweemaal geperst. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [JG 1a; JG 1b; Vds 15; Jan 15; Coe 5; Grof 5; monogr.; N D add.]
II-3
|
| 30614 |
olieverf |
olieverf:
oli[verf] (L246a Swolgen)
|
Verf waarvan het bindmiddel bestaat uit een drogende olie als lijnolie of papaverolie. Olieverf wordt bereid door verfstof met een tempermes op een wrijfsteen in de olie te wrijven of door olie en verfstof na menging te malen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '-(verf)' het lemma 'Verf'. [S 26; N 67, 23b; monogr.; div.]
II-9
|
| 33735 |
omheining van palen |
gelint:
glīnt (L246a Swolgen)
|
Omheining van palen, verbonden door enkele latten of ruwe planken. [A 25, 4c; monogr.]
I-8
|