| 32922 |
op heukelingen zetten, zwelen |
opperen:
ø̜pǝrǝ (L246a Swolgen)
|
Het bijeenwerken van de langwerpige heuveltjes tot de kleinste soort hopen: heukelingen of heukels. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de heukeling, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van (...) verwezen naar de woordtypen van het lemma ''heukeling''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''heukeling''. In dit en in de volgende lemma''s komen het woordtype opper en de afleidingen daarvan, zoals opperen, voor. Het type kent een achttal mogelijke typevarianten die onderling geen voorkeursvolgorde hebben: opper, upper, oppel, uppel, hopper, hupper, hoppel, huppel. In dit en in de volgende lemma''s zijn de vormen met en zonder begin-h als aparte woordtypen behandeld; de andere vormen staan steeds in dezelfde volgorde. De kaarten 39, 41 en 43, respectievelijk "op heukelingen zetten", "op hopen zetten" en "op oppers zetten" hebben alle drie dezelfde opbouw, die weer in verband staat met de opbouw van de kaarten 40, 42 en 44: "heukeling", "hoop" en "opper". Voor deze zes kaarten zijn ook dezelfde symbolen voor gelijke opgaven gebruikt. [N 14, 103; JG 1a, 1a, 1c; monogr.]
I-3
|
| 32927 |
op oppers zetten, opperen |
hopen:
hȳǝpǝ (L246a Swolgen)
|
Het bijeenwerken in de grootste soort hooihopen, oppers, die in het veld en direct op de grond, worden gemaakt; ze kunnen wel tot 3 meter hoog worden opgezet. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de opper, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van ø...ŋ verwezen naar de woordtypen van het lemma ''opper''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''opper''.' [N 14, 111; JG 1a, 1b; monogr.]
I-3
|
| 22368 |
op stelten lopen |
op stelten lopen:
op stĕlte loeepe (L246a Swolgen)
|
stelten [op ~ loopen] [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 19293 |
ophitsen |
aanhissen:
ánhisse (L246a Swolgen)
|
aanhitsen, opstoken
III-1-4
|
| 19255 |
ophouden met het werk |
pozen:
poeeze (L246a Swolgen),
schaften:
cf. WNT s.v. "schoften"(= identiek aan "schaften")
schŏften (L246a Swolgen)
|
ophouden (m.h. werk) [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 21275 |
opmaken |
opmaken:
gɛ:ld upxəmakt (L246a Swolgen),
opxəmakt (L246a Swolgen)
|
geld opdoen (opmaken) [RND]
III-3-1
|
| 18030 |
oprispen |
oprupsen:
(ŏp)rŭpse (L246a Swolgen)
|
oprispen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 19591 |
opscheplepel |
scheplepel:
sxøͅplēͅpəl (L246a Swolgen)
|
grote lepel om te scheppen
III-2-1
|
| 19321 |
opscheppen |
blaffen:
blaffe (L246a Swolgen),
opscheppen:
ópschöppe (L246a Swolgen, ...
L246a Swolgen)
|
opscheppen || opscheppen, groot doen || opsnijden, snoeven
III-1-4
|
| 19322 |
opschepper |
blaffer:
blaffer (L246a Swolgen),
kaaljakker:
kaaljekker (L246a Swolgen),
opschepper:
ópschöpper (L246a Swolgen),
snoevenkater:
snōēvekater (L246a Swolgen),
snurker:
snörker (L246a Swolgen),
windbuil:
wīēndbül (L246a Swolgen)
|
opschepper || opschepper, windbuil || opsnijder
III-1-4
|