| 20700 |
pannenkoek |
koek:
men kende: spekkoek, appelkoek, krentenkoek, rozijnenkoek, uienkoek, boekweitkoek, kersenkoek, pruimenkoek, bosbessenkoek
kūk (L246a Swolgen),
schaarkoekje:
sxarkykskə (L246a Swolgen)
|
pannekoek || pannekoekje van e resten van het deeg, nog bij elkaar geschard
III-2-3
|
| 19443 |
pannenlap |
pannenlap:
panəlap (L246a Swolgen),
ties:
tis (L246a Swolgen)
|
pannenlap
III-2-1
|
| 20057 |
pantoffeltje |
pantoffeltje:
-
pantüffelkes (L246a Swolgen, ...
L246a Swolgen,
L246a Swolgen,
L246a Swolgen,
L246a Swolgen,
L246a Swolgen),
caleocolaria
pantüffelkes (L246a Swolgen)
|
Pantoffeltje (calceolaria officinale). De twee meeldraden zijn beweegbaar, ongeveer als bij salie. Bladeren tegenoverstaand of verspreid, de onderste samengesteld, de bovenste alleen meer of minder ingesneden; de bladrand is dubbel gezaagd. De zwavelgele
III-2-1
|
| 20558 |
pap |
brij:
breej (L246a Swolgen, ...
L246a Swolgen)
|
brij [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 21126 |
papier |
papier:
papier (L246a Swolgen)
|
papier [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 34046 |
pasgeboren kalf |
melkmuk:
mɛlkmø̜k (L246a Swolgen)
|
[N 3A, 15 en 20; N C, 6; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 23237 |
pastoor |
pastoor (<lat.):
pəstuər (L246a Swolgen)
|
pastoor [RND]
III-3-3
|
| 25361 |
pastoorsstuk |
proef:
prūf (L246a Swolgen)
|
Het stuk vlees dat de pastoor krijgt. Dat is geen bepaald stuk, meestal is het het beste van de slacht. Het stuk krijgt vaak de normale slachtersbenaming. In dit lemma worden deze normale slachtersbenamingen voor de diverse stukken vlees weggelaten. Zij worden opgenomen in deel III van het woordenboek bij het onderdeel: ''Producten van de slacht''. [N 28, 103; monogr.]
II-1
|
| 23236 |
pastorie |
pastorie:
pastori-j (L246a Swolgen)
|
pastorie [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 23296 |
pater |
pater (lat.):
pa.tər (L246a Swolgen)
|
pater [RND]
III-3-3
|