| 18208 |
kiel |
kiel:
keel (L246a Swolgen, ...
L246a Swolgen)
|
hes (kiel) [SGV (1914)] || kiel [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 24513 |
kiem |
lokenpijpje:
gebruikt als kruid bij het eten
loeëkepiepke (L246a Swolgen),
scheut:
scheut (L246a Swolgen)
|
scheut [SGV (1914)] || uitspruitsel
III-4-3
|
| 33163 |
kiemen, schieten, botten van pootaardappelen |
kienen:
kēnǝ (L246a Swolgen),
kijnen:
kinǝ (L246a Swolgen)
|
J. Goossens heeft in zijn enquêtes twee begrippen afgevraagd: "kiemen" (algemeen van een zaadje) en "botten" (gezegd van een pootaardappel, wanneer deze in de kiembak ligt); afgezien van een klein fonetisch detail zijn er géén afwijkingen tussen beide lijsten van antwoorden, behoudens in P 187, waar "botten" jongen (wellicht schertsend?) is; in Q 3, 5, 9 en 187a waar voor de aardappel botten wordt gegeven (wellicht invloed van de cultuurtaal) en in Q 156 waar voor de aardappels ze zijn gehikt werd opgegeven. De opgaven van beide lijsten zijn derhalve in dit lemma samengenomen. Kienen moet begrepen worden als een contaminatie van kiemen (voor de klinker) en kijnen (voor de slotmedeklinker). Zie ook de toelichting bij het voorgaande lemma Scheut. [N M, 16b; JG 1a, 1b, 2c; monogr.; add. uit S 17]
I-5
|
| 17764 |
kies |
baktand:
bàktà:nt (L246a Swolgen)
|
kies [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 20498 |
kieskauwer |
viesperneus:
vispərnø̄s (L246a Swolgen)
|
iemand die erg kieskeurig is met eten
III-2-3
|
| 18818 |
kieskeurig |
keurzaam:
keurzem (L246a Swolgen),
kommerlijk:
kummelijk (L246a Swolgen)
|
kieskeurig [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 24416 |
kieuwen |
kieuwen:
kieuw (L246a Swolgen),
kieuwe (L246a Swolgen)
|
kieuw [SGV (1914)] || kieuwen (mv.) [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 24935 |
kiezel, kiezelsteen |
kiezel:
kiezel (L246a Swolgen)
|
kiezel [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 18893 |
kiezen |
kiezen:
kīēze (L246a Swolgen)
|
kiezen
III-1-4
|
| 24337 |
kikker |
kikvors:
(kikvors) (L246a Swolgen),
kwakvors:
kwakvors (L246a Swolgen),
kwɛkfoͅrs (L246a Swolgen)
|
kikvors, puit [RND] || kikvorsch [SGV (1914)]
III-4-2
|