| 33411 |
kippenren |
hennenloop:
hęnǝlȳǝp (L246a Swolgen)
|
De met gaas omheinde buitenruimte, die aan het kippenhok grenst of er anderszins mee in verbinding staat en waarin de kippen overdag rondlopen. Het woord bout in Hoeselt (Q 77) is te beschouwen als een ontlening uit het Waalse bèr√¥dî, daar ontstaan uit * bèh√¥rdi, dat weer ontleend en afgeleid is uit Nl. behorden, "met een horde omheinen"; vgl. Haust, D L, s.v. bèr√¥dî. [N 19, 34; A 10, 9h; A 48, 16b; monogr.]
I-6
|
| 22324 |
kiskassen |
schijvelen:
schievele (L246a Swolgen)
|
kiskassen (over t water) [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 24185 |
klapekster |
schaterekster:
schaterekster (L246a Swolgen)
|
negendooder [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 24858 |
klaproos |
olieknop:
-
olieknop (L246a Swolgen)
|
klaproos [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 17957 |
klauteren |
klaveren:
klavere (L246a Swolgen)
|
klauteren [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 33256 |
klaver, algemeen |
klaver:
kliǝvǝr (L246a Swolgen)
|
De klaver- en klee-varianten in dit lemma vormen de verzamelnaam voor allerlei klaversoorten uit de familie van de Vlinderbloemigen. Klaver werd tot 1950 geteeld als groenvoer en als stoppelgewas. In de Nijmeegse lijst is niet naar de afzonderlijke soorten of naar de algemene naam gevraagd, alleen naar de benamingen voor verschillende oude klaversoorten. Hier zijn, naast de algemene naam in dit lemma, eerst enkele meestvoorkomende soorten apart behandeld en is tot slot een verzamellemma Andere Oude Klaversoorten toegevoegd. De scheiding in het Nijmeegse materiaal is achteraf aangebracht, op grond van de gewasnaam, de opmerkingen van de zegslieden en andere bronnen. Zie ook WBD.I, afl. 8, blz. 1408. [N 14, 83; JG 1a, 1b, 2b, 2c; A 4, 10; L 1, a-m; L B2, 348; L 20, 10; Wi 50; S 18; monogr.]
I-5
|
| 22747 |
klaveren in het kaartspel |
klaveren:
klèverenboer (L246a Swolgen)
|
klaveren boer [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 33261 |
klaverzaad |
klaverzaad:
klīǝvǝrzǭt (L246a Swolgen)
|
Het zeer fijne zaad van klaver. In L 292 en 320a zegt men: ɛklaverzaad gaan verkopenɛ voor: "te biechten gaan".
I-5
|
| 19389 |
kleerhanger |
klederhanger:
kliǝrhęŋǝr (L246a Swolgen),
kleerhanger:
kliərhɛŋər (L246a Swolgen)
|
Gebogen houtje of beugel met haak waarop men jas of mantel zonder kreuken kan ophangen. [N 59, 35; monogr.] || kleerhanger
II-7, III-2-1
|
| 28709 |
kleermaker |
snijder:
snejǝr (L246a Swolgen)
|
Algemene benaming voor persoon die kleren maakt. [N 59, 197a; L 1a-m; L 28, 2; S 18; monogr.]
II-7
|