| 25639 |
doormidden gesneden beschuitbol |
beschuitschijf:
%%meervoud%%
bǝšȳtšīvǝ (L270p Tegelen),
ongedroogde beschuit:
ongǝdryǝgdǝ bǝšȳt (L270p Tegelen)
|
De benamingen kunnen ook slaan op de bovenste of onderste schijf van de beschuitbol. [N 29, 62c]
II-1
|
| 25635 |
doormidden snijden van beschuitbollen |
bollen snijden:
bø̜l šni-jǝ (L270p Tegelen),
doorsnijden:
dōršni-jǝ (L270p Tegelen)
|
[N 29, 62a; N 29, 62b]
II-1
|
| 24477 |
doorn, stekel |
doorn:
daöre (L270p Tegelen),
doorn (mv.):
døͅr (L270p Tegelen)
|
doorn || doornen [RND]
III-4-3
|
| 20101 |
doornhaag |
doornenheg:
daörehek (L270p Tegelen),
heg:
hêk (L270p Tegelen)
|
doornhaag
III-2-1
|
| 28985 |
doorputten |
doorpakken:
dōrpakǝ (L270p Tegelen),
putten:
pøtǝ (L270p Tegelen)
|
Naaien met de putsteek. Zo goed als onzichtbaar doornaaien. De putsteek wordt gebruikt om kanten meerdere vastheid te geven en twee of meer stoflagen op elkaar te verbinden. Het is een zeer klein gestoken achtersteekje (Gerritse, pag. 41). [N 59, 61; N 59, 58; N 59, 55]
II-7
|
| 33167 |
doorschieter |
doorwassen:
dōrwasǝ (L270p Tegelen)
|
Aardappelstruik waaraan zich door overmatige groei steeds nieuwe scheuten en aardappeltjes vormen. [N 12, 9; monogr.]
I-5
|
| 29556 |
doorschijnen |
het vuur is erdoor:
het vuur is erdoor (L270p Tegelen)
|
Gezegd van de vlam die door de luchtgaten van de pottenbakkersoven schijnt. [N 49, 85c]
II-8
|
| 26348 |
doorslaan |
doorslaan:
dōršlǭn (L270p Tegelen),
lussen:
løsǝ (L270p Tegelen)
|
Het aangeven van de lijnen met een dubbele draad of door middel van een doorslagsteek. [N 59, 51a; N 62, 6]
II-7
|
| 30461 |
doorslag, drevel |
drijfnagel:
drīfnāgǝl (L270p Tegelen)
|
Stalen stift met aan de onderzijde een enigszins kegelvormig uiteinde, waarmee men de koppen van spijkers in het hout drijft. [N 54, 139b; monogr.]
II-9
|
| 20398 |
dopeling |
dopeling:
duipeling (L270p Tegelen)
|
de dopeling, het doopkind [N 96D (1989)]
III-2-2
|