| 34094 |
driespeen |
driedeems:
drei̯dēms (L270p Tegelen),
ongelijke uier:
ǫŋǝlīk ȳi̯ǝr (L270p Tegelen)
|
Koeuier die slechts uit drie kwartieren melk geeft. Sommige woordtypen kunnen duiden op een koe die een uier met drie spenen heeft. [N 3A, 117]
I-11
|
| 23811 |
drievuldigheidszondag |
drievuldigheidszondag:
dreeivuldigheidszondaag (L270p Tegelen)
|
De eerste zondag na Pinksteren, het feest van de H. Drieëenheid of Drievuldig-heid, Drievuldigheidszondag. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 17939 |
driftig lopen |
rondfiksen:
rongkfikse (?) (L270p Tegelen),
-"haet in zien herkumst nem bijsjmaak.
ròngkfikse (L270p Tegelen)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)] || lopen: driftig lopen [op ne staog loope] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 22655 |
drijftol |
moets:
[Met afbeelding].
moets (L270p Tegelen)
|
2. Kegelvormige tol.
III-3-2
|
| 24939 |
drijfzand |
zompig zand:
zompig (L270p Tegelen)
|
drijfzand, met water verzadigd zand dat rustig ligt maar waarin alles wegzakt wat er druk op uitoefent [drijf, drift, vloei, papieren zolder] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 32278 |
drijver |
drijver:
drīvǝr (L270p Tegelen
[(van hout of ijzer)]
)
|
Een metalen of met metaal verstevigde houten pin waar de kuiper met de kuipershamer op slaat om de banden van een vat aan te drijven. De houten drijver is aan de bovenkant versterkt met een metalen ring, terwijl de onderkant in een metalen punt uitloopt. In de punt van de drijver is vaak een gleuf aangebracht waardoor de kuiper tijdens het vastslaan van de banden een beter houvast heeft. Zie ook afb. 215. De drijfpin werd in Eisden (Q 7) en Mechelen-aan-de-Maas (Q 9) met behulp van een nijptang vastgehouden. [N E, 26b; N E, 45d; monogr.]
II-12
|
| 32208 |
drijver, zetbeitel |
drijfbeitel:
drīf˱bęjtǝl (L270p Tegelen),
zetbeitel:
zęt˱bęjtǝl (L270p Tegelen),
zetijzer:
zęt˱īzǝr (L270p Tegelen)
|
De drijver of zetbeitel is eerder een werktuig van de smid. Het is een stompe stalen beitel waarmee de metalen banden worden aangedreven die ter versteviging rond de naaf worden aangebracht nadat de spaakgaten zijn geboord. Meestal worden vier naafbanden aangebracht: twee aan weerszijden van de spaken en verder nog twee aan de uiteinden van de naaf. Zie ook de lemmata ɛmiddennaafbandenɛ, ɛmuilbandɛ en ɛachternaafbandɛ in wld II.11, pag. 136-139 en de daarbij horende afbeelding 214.' [N G, 30]
II-12
|
| 22066 |
drinkbak |
drinkbak:
dreŋk˱bak (L270p Tegelen),
drinkpot:
dreŋkpǫt (L270p Tegelen
[(drinkbak met drie of meer gaten en bovendeksel)]
)
|
Aarden pot met openingen, waar duiven of andere vogels uit drinken. [N 49, 120c]
II-8
|
| 33413 |
drinkbak voor de kippen |
drinkbak:
dreŋkbak (L270p Tegelen),
drinkensbak:
dreŋkǝs˱bak (L270p Tegelen),
zuipbak:
zuǝp˱bak (L270p Tegelen)
|
De drinkbak voor de kippen in het kippenhok. [A 48, 16c]
I-6
|
| 19575 |
drinkbeker |
beker:
(meervoud)
bééker (L270p Tegelen),
bierpot:
(stenen pot met gekleurde motieven)
beer-pot (L270p Tegelen),
uiles:
(om bier uit te drinken)
ōēles (L270p Tegelen),
(van bruin geglazuurde Tegelse keramiek)
oeles (L270p Tegelen)
|
drinkbeker, aarden of stenen ~; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|