| 25479 |
droogzolder |
meelzolder:
mē̜lzø̜ldǝr (L270p Tegelen),
zolder:
zø̜ldǝr (L270p Tegelen)
|
De zolder boven de oven. Uit de woordtypen "droogzolder", "droogoven", "meelzolder" en "bloemzolder" blijkt dat deze ruimte gebruikt wordt zowel om iets erin te drogen als om iets erin op te slaan. Volgens Weyns (blz. 66) wordt deze plaats ook wel benut voor het drogen van zaden en volgens de informant van Q 99* droogt men het metershout hierin. [N 29, 105c]
II-1
|
| 20554 |
drop |
suikerpek:
sókkerpaek (L270p Tegelen),
sôkkerpáek (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
aftreksel van de zoethoutwortel || drop [Weijnen BN 01 (1938)] || laurierdrop || staafdrop
III-2-3
|
| 20565 |
dropwater |
suikerpek:
sokkerpaek (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt U: Water waarin drop is opgelost (sepnat, kalissewater, kalissesap, poeliepek, kloters) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20619 |
dropwater maken |
schuimpje trekken:
sjüm’ke-trêkke (L270p Tegelen)
|
opzuigen door de kinderen van schuimende dropwater uit de sjümkesfles
III-2-3
|
| 25126 |
druilerig en koud weer |
druilerig (weer):
drūūlerig (L270p Tegelen),
klef:
klef (L270p Tegelen),
miezelig (weer):
miezelig waer (L270p Tegelen),
miezerig (weer):
miezerig (L270p Tegelen),
mīēzerig (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
mottig (weer):
mottig (L270p Tegelen),
nat (weer):
naat (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
nāāt (L270p Tegelen),
nāt (L270p Tegelen),
natsig (weer):
náet⁄sig (L270p Tegelen),
vies (weer):
fies (L270p Tegelen),
zouwel(weer):
’n zauwel-waer (L270p Tegelen),
zouwelig (weer):
zauwəlig (L270p Tegelen),
zuipnat:
ziép⁄náat (L270p Tegelen)
|
door en door nat || druilerig weer [moezerig, monketig] [N 22 (1963)] || huiverig, koud, guur weer [grellig, zoer, locht, schrauw] [N 22 (1963)] || nat [DC 02 (1932)] || nat weer [versigheid] [N 81 (1980)] || nat, vochtig, gezegd van het weer [wak, luimerig] [N 81 (1980)] || nattig, vochtig || regenachtig, gezegd van het weer [ruizerig] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 17941 |
druk heen en weer lopen |
op en neer lopen:
op en neer laope (L270p Tegelen),
rondrennen:
ronkrénne (L270p Tegelen),
rondvegen:
ròngkvaege (L270p Tegelen)
|
lopen: bedrijvig heen en weer lopen [rettereere, rondriddere] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 18509 |
drukknoop |
knipper:
knippers (L270p Tegelen)
|
drukknopen
III-1-3
|
| 19274 |
drukte, gedoe |
bohei (rh.):
cf. WNT III, I, kol. 78 s.v. "boeha - boehaai, boha(ai), bohei, beha(ai) thans meestal met een p: poeha(ai), poha(ai), poehei, poehé, poechai, pochai"= gewoonlijk in toepassing op: onnodige of overdreven drukte .... etc.; zie ook s.v. "boehamaker"; cf. VD s.v. "boha"zie boeha; cf. VD s.v. "boeha, poeha"in bet. van onnodige drukte, rumoer, ophef om een nietige zaak: veel boeha maken
behèj (L270p Tegelen),
gedoens:
gedoons (L270p Tegelen)
|
drukte || drukte, gedoe, rompslomp
III-1-4
|
| 19275 |
druktemaker |
bohei-maker:
De Limburgse vormen met b en een tweeklank aan het eind sluiten m.i. het meest aan bij de vorm die ook in het Rijnland bekend is: Buhei. In het Rheinisches Wörterbuch deel I kol. 1106 vind je heleboel vormen onder dat trefwoord. Gezien ook de vormen in het WNT zou ik in dit geval voor een trefwoord kiezen dat wat dichter bij het Limburgse (en Rijnlandse) ligt: bohei.
behèjmaeker (L270p Tegelen)
|
druktemaker
III-1-4
|
| 29483 |
drukvorm |
mal:
mal (L270p Tegelen),
vorm:
vǫrǝm (L270p Tegelen)
|
Drukvorm die wordt gebruikt bij het persen van bloempotten. [N 49, 48]
II-8
|