| 25133 |
druppel |
druppel:
dröppel (L270p Tegelen),
eine dröppel (L270p Tegelen),
ennen dröppel (L270p Tegelen),
ennen dröppel water (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
unnen dröppel water (L270p Tegelen),
(telwoord is: einen dröppel).
⁄nen dröppel (L270p Tegelen)
|
druppel water [dröp, dröppel] [N 07 (1961)]
III-4-4
|
| 32866 |
dubbel gezwad |
dobbel gezwad:
dǫbǝl [gezwad] (L270p Tegelen),
dubbel gezwad:
dø̜bǝl [gezwad] (L270p Tegelen)
|
De dubbele reep gras die ontstaat als men eenmaal heen maait, omdraait, en vlak daarnaast weer eenmaal terug over het veld maait, zodat er twee regels gemaaid gras tegen elkaar aan komen liggen. Zie voor de fonetische documentatie van de woorden tussen vierkante haken het lemma ''gezwad, regel gemaaid gras''. [N 14, 94]
I-3
|
| 31978 |
dubbel kruishout |
dubbel kruishout:
dø̜bǝl krȳtshǫlt (L270p Tegelen)
|
Een kruishout met twee, onderling verstelbare kruishoutbenen die elk voorzien zijn van een kraspennetje. Het dubbel kruishout wordt gebruikt om snel evenwijdige lijnen op het hout te kunnen trekken. Zie ook afb. 102. [N 53, 191f; N G, 17b]
II-12
|
| 33963 |
dubbele lijn |
bindteugel:
beŋtø̄gǝl (L270p Tegelen)
|
Lijn die aan weerszijden aan het bit bevestigd is en tot aan de hand van de voerman dubbel is. Opgaven die niet specifiek naar een dubbele lijn verwezen (m.n. de woordtypes paardslijn, rijlijn, lijn, lijnt, lei, leis, leist, leidsel en guide), werden opgenomen onder het overkoepelende lemma Teugel. [N 13, 30 en 34]
I-10
|
| 29953 |
dubbele pik |
bik:
bek (L270p Tegelen),
puntbik:
pønt˱bek (L270p Tegelen)
|
Houwwerktuig met korte steel en twee in een punt uitlopende armen. Zie ook afb. 14b. [N 30, 19b; monogr.]
II-9
|
| 33446 |
dubbele toegangspoort van een gesloten erf |
poort:
[poort] (L270p Tegelen)
|
De uit twee helften bestaande poort, die toegang geeft tot een door het woonhuis en de bedrijfsgebouwen omgeven binnenplaats. Zie ook het lemma "schuurpoort" (3.1.2). Zie voor de fonetische documentatie van het woord (poort) het lemma "poort" (4.1.1). Zie ook afbeelding 18 bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 5A, 77b; monogr.]
I-6
|
| 21608 |
dubbeltje |
dubbeltje:
⁄n döbbeltje (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
dubbeltje, een ~ [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 22021 |
duif (alg.) |
duif:
en doef (L270p Tegelen),
vgl. pag. 125: veldkratser postduiven, die de groenten in de tuin of akker wegpikken (ook wel: veldkretser).
doéf (L270p Tegelen)
|
duif [GTRP (1980-1995)] || Duif.
III-3-2
|
| 24139 |
duif, algemeen |
duif:
doéf (L270p Tegelen),
mv.
doeve (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
duif
III-4-1
|
| 24140 |
duif, overige soorten |
veldkretser:
veld’kratser (mv.) (L270p Tegelen)
|
veldduif
III-4-1
|