| 31917 |
een beitel wetten |
aanzetten:
ānzętǝ (L270p Tegelen)
|
De kleine oneffenheden die bij het slijpen zijn gevormd op de snede van de beitel met behulp van een wetsteen verwijderen. Zie ook afb. 72. [N 53, 48b]
II-12
|
| 20145 |
een blauwtje lopen |
een blauwtje gelopen:
’n blawtje gelaupe (L270p Tegelen),
een korfje gekregen:
verouderd
’n körfke gekrege (L270p Tegelen)
|
een andere benaming voor: hij heeft een blauwtje gelopen. Als een jongen door een meisje wordt afgewezen zegt men wel: --. Kent u voor dit feit in uw dialect een andere uitdrukking? (bv. hij heeft een blonde gelopen, een blauwe scheen krijgen, enz) [DC 52 (1977)]
III-2-2
|
| 29084 |
een bochel inwerken |
bult derin brengen:
bø̜lt dǝren breŋǝ (L270p Tegelen)
|
Een bochel in een jas werken door middel van het knippen van het patroon of door strijken of persen. [N 59, 89]
II-7
|
| 20505 |
een borrel drinken |
proeven:
prēūvə (L270p Tegelen)
|
jenever drinken; Hoe noemt U: Jenever drinken (proeven, likken) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20941 |
een boterham smeren |
een boterham smeren:
əm bo̝təram šmēərə (L270p Tegelen)
|
smeren [RND]
III-2-3
|
| 34490 |
een dag overslaan bij het leggen |
rusten:
rø̜stǝ (L270p Tegelen)
|
[N 19, 36]
I-12
|
| 30220 |
een dak beschieten |
beschieten:
bǝšētǝ (L270p Tegelen)
|
Een houten beschot op de gordingen aanbrengen. [N 54, 174b; monogr.]
II-9
|
| 29088 |
een draad om het knoopsgat naaien |
omwerpen:
omwɛrpǝ (L270p Tegelen)
|
Een draad om het knoopsgat naaien tegen het uitrafelen. [N 59, 139]
II-7
|
| 34532 |
een ei |
ei:
ęi̯ (L270p Tegelen)
|
[L 1a-m; L 3, 8; L 5, 79; L 26, 13b; L 30, 18b; L 35, 7; JG 1b; RND 123; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 34541 |
een ei afpellen |
(de) schaal deraf doen:
dǝ šāl dǝrāf dōn (L270p Tegelen),
de schaal dervan afhalen:
dǝ šāl dǝrvan āfhǭlǝ (L270p Tegelen),
pellen:
pɛlǝ (L270p Tegelen),
schellen:
šęlǝ (L270p Tegelen)
|
Een ei van de schaal ontdoen. [N 19, 55b; A 39, 9b]
I-12
|