| 34534 |
een ei schouwen |
schouwen:
šǫu̯ǝ (L270p Tegelen)
|
Men schouwt een ei om na te gaan of het bevrucht is en of het nog goed is voor consumptie. Men doet dit door het ei naar het licht te houden. Ook kan men controleren of het ei goed is door het in water te leggen. Als het zinkt, is het goed. [N 19, 56]
I-12
|
| 32747 |
een geerakker ploegen |
de geer bouwen:
dǝ [geer] bǫu̯ǝ (L270p Tegelen),
geren:
gī(ǝ)rǝ (L270p Tegelen)
|
Afhankelijk van de gebruikte ploeg en de gevolgde ploegwijze kan de geer van een trapeziumvormige akker op verschillende manieren worden geploegd. Wordt de akker met een wentel- of een keerploeg bewerkt, dan kan men a) met de geer beginnen en dan - schuin tegen de geervoren aan - de lange voren ploegen, of b) met de lange voren beginnen en op de overblijvende geer korter wordende voren ploegen, waarbij tenslotte - schuin op de geervoren - nog enige lange sluitvoren worden geploegd. Op een uiteen te ploegen geerakker ploegt men vanaf de zijkanten eerst de lange voren, totdat men de in midden uitgezette geer bereikt. Daar ploegt men dan korter wordende voren, die in het midden (waar men moest keren) worden aangevuld met een aantal lange sluitvoren. Wordt die geerakker het jaar daarop bijeengeploegd, dan ploegt men in het midden eerst het daar uitgezette geerstuk bijeen; daarop laat men dan de lange voren volgen. Als een trapeziumvormige akker geploegd kan worden in voren die in dezelfde richting lopen als de evenwijdige korte en lange zijde van het stuk, hoeft men geen geer te ploegen. Voor het([...)-gedeelte van sommige varianten zie men het vorige lemma. [N 11, 64; N 11A, 126a + b + c + d; JG 1a + 1b; monogr.; A 33, 9 add.]
I-1
|
| 23950 |
een gelofte doen |
gelofte doen:
gelofte doon (L270p Tegelen)
|
Een gelofte doen, afleggen bijv. om op bedevaart te gaan [gelaove, jelobe]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 25600 |
een gleuf aanbrengen in het deegbrood |
knippen:
knepǝ (L270p Tegelen),
knippen (L270p Tegelen)
|
Met de schaar of het mes een gleuf aanbrengen in het deegbrood. Volgens de informant van L 330 wordt dit "knippen" gedaan om het rijzen te bevorderen bij slechte deeg. [N 29, 44a]
II-1
|
| 34523 |
een haan snijden |
kapuinen:
kǝpunǝ (L270p Tegelen)
|
Een haan castreren. [N 19, 60b; monogr.]
I-12
|
| 19855 |
een huis huren |
huren:
heure (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
een huis huren [DC 35 (1963)]
III-2-1
|
| 30049 |
een huis uitzetten |
(een/de) bouw uitzetten:
ǝnǝn˱ bǫ.w u.t˲zętǝ (L270p Tegelen),
een huis uitpalen:
ǝn hu.s˱ u.tpø̜̄ǝlǝ (L270p Tegelen)
|
De omtrek van een te bouwen huis met palen en planken uitzetten. [N 30, 24a; monogr.]
II-9
|
| 30125 |
een keldergewelf maken |
(een) kelder welven:
kɛldǝr wø̜lǝvǝ (L270p Tegelen)
|
Wanneer men een kelder van troggewelven wil voorzien, worden er eerst van muur tot muur ijzeren profielbalken gelegd op een onderlinge afstand van 1,5 m. Tussen de balken worden vervolgens de gewelven gemetseld, waarbij als tijdelijke steun een formeel wordt gebruikt. [N 32, 20c; monogr.]
II-9
|
| 23755 |
een kruisje geven |
een kruisje geven:
n kruutske geve (L270p Tegelen)
|
Een kind voor het slapen gaan met de duim een kruisje geven op het voorhoofd. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23707 |
een kruisje op het brood maken |
een kruisje maken onder de mik:
kruutske make onger de mik (L270p Tegelen)
|
Het gebruik om een brood met het mes te bekruisen, voordat men het aansnijdt; men maakte met het broodmes een kruisje aan de onderkant van het brood [n kruuske ónder de mik maake?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|