| 23706 |
een kruisteken maken |
n kruus maake:
en kruuts make (L270p Tegelen)
|
Een kruisteken maken/slaan, zich bekruisen, zich zegenen [zich bekruuse [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 19216 |
een lelijk gezicht trekken |
(een) lelijke snuit maken:
n lilke sjnoet make (L270p Tegelen),
(een) snuit trekken:
en snoet trekke (L270p Tegelen),
⁄n sjnoet trèkke (L270p Tegelen),
een lelijk gezicht trekken:
e lillik gezich trekke (L270p Tegelen),
een vieze snuit trekken:
eine vieze snoet trekken (L270p Tegelen),
grijnereren:
grienerere (L270p Tegelen),
lachen wie een boer die tandpijn heeft:
lache wie nem boer dae tangkpien haet (L270p Tegelen),
lelijkerds trekken:
lillerkes trekke (L270p Tegelen)
|
grijnzen, een lelijk gezicht trekken [greeze, nen toot zette, snuit trekke, grimas maken] [N 10 (1961)]
III-1-4
|
| 30090 |
een muur opmetselen |
(muren) optrekken:
ǫptrękǝ (L270p Tegelen),
metselen:
[metselen] (L270p Tegelen)
|
Al metselend een muur laag na laag hoger maken. Een muur die zo werd opgetrokken werd in K 353 een 'muur in opbouw' ('mȳr en up˱bē̜jǝf') genoemd. Het resultaat was volgens een aantal invullers een 'volle muur' ('volǝ mȳr', K 353; 'volǝ myǝr', K 278; 'vǫlǝ mūr', Q 197, 197a; 'vol mūr' L 364). Zie voor de fonetisch niet gedocumenteerde vormen de lemmata 'Metselen' en 'Muur'. [N 31, 27; N 31, 32b; monogr.]
II-9
|
| 30077 |
een muur uitloden |
een muur loden:
ęjn mūr luǝjǝ (L270p Tegelen)
|
De verticale stand van een muur of profiel controleren met behulp van een schietlood. [N 31, 10b]
II-9
|
| 30162 |
een muur voegen |
een gevel voegen:
ęjnǝ gēvǝl vōgǝ (L270p Tegelen)
|
De voegen tussen metselstenen met voegmortel opvullen. Voegwerk wordt doorgaans na het metselwerk uitgevoerd. De voegen worden daartoe met behulp van de voegkrabber ter diepte van 1,5 à 2 cm uitgekrabd waarna de mortel vanaf een plankje door middel van een voegspijker in de voeg wordt gebracht. Voor de lintvoegen gebruikt men een lange voegspijker, voor de stootvoegen een korte. [N 32, 32; monogr.]
II-9
|
| 30085 |
een muur waterpassen |
uitwaterpassen:
ūtwātǝrpasǝ (L270p Tegelen),
waterpassen:
wātǝrpasǝ (L270p Tegelen)
|
De horizontale stand van een muur controleren met behulp van de waterpas. [N 31, 10c; monogr.]
II-9
|
| 18273 |
een paar schoenen |
een paar schoenen:
ei paar sjoon (L270p Tegelen),
ei par sjòon (L270p Tegelen),
n paar sjóon (L270p Tegelen)
|
schoenen, paar ~ [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18337 |
een paar sokken |
een paar sokken:
e paar zök (L270p Tegelen),
n paar zök (L270p Tegelen),
ə paor zök (L270p Tegelen)
|
kousen, paar ~ [zök, zökke] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21656 |
een prijs vragen |
vragen (voor):
wat vraog-ge d⁄r veur? (L270p Tegelen),
wat vreug⁄se vur dien hònderd? (L270p Tegelen)
|
aanbieden, Voor een bepaalde prijs te koop ~ [loven of geloven? zegt men wel: wat looft ge uw kippen = welke prijs vraagt ge ervoor?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 31579 |
een rad optrekken |
de band van het rad optrekken:
dǝn˱ bank ˲van t rāt˱ ǫptre̜kǝ (L270p Tegelen),
het/een rad optrekken:
ǝ rāt˱ ǫptre̜kǝ (L270p Tegelen)
|
In het algemeen een wielband om de velg van een karwiel leggen. Zie ook de lemmata ɛbandenhaakɛ en ɛtrekhaakɛ.' [N G, 46c; A 42, 17 add.]
II-11
|