| 18960 |
eerlijk |
eerlijk:
ierlik (L270p Tegelen)
|
eerlijk: Jullie moeten die snoepjes - delen [DC 39 (1965)]
III-1-4
|
| 17585 |
eerste baardharen |
duivelshaar:
duuvelshaor (L270p Tegelen),
melkbaard:
mèlkbaard (L270p Tegelen),
varkenshaar:
vèrkeshaor (L270p Tegelen),
vleug:
vlūūg (L270p Tegelen),
vleughaar:
vluughaor (L270p Tegelen),
vlug haar:
vlug hòòr (L270p Tegelen)
|
baardharen, eerste ~ [muggebeen, duivelshaar] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 24010 |
eerste communie |
eerste communie (<lat.):
ierste kemuunie (L270p Tegelen)
|
De eerste H. Communie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 32959 |
eerste grasoogst |
voorgras:
vø̜rgras (L270p Tegelen)
|
Naar analogie van de eerste, tweede en derde hooioogst heeft men de informanten ook de vraag voorgelegd of er specifieke benamingen zijn voor de grasoogsten, wanneer een weide niet wordt afgehooid, maar afgegraasd. In dit lemma staan de opgaven voor het gras dat de beesten de eerste keer dat ze in de weide worden gelaten afgrazen en voor zover deze afwijkend zijn van die uit het algemene lemma ''gras''. [N 14, 129a]
I-3
|
| 24043 |
eerste mis van de neomist |
eerste mis:
ierste mis (L270p Tegelen)
|
De eerste H. Mis van de Neomist in de parochie van herkomst [priemiets, ieësjte maes]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 28510 |
eerste nazwerm |
nazwerm:
nǭžwɛrm (L270p Tegelen)
|
De eerste nazwerm of met de voorzwerm meegerekend de tweede zwerm. Ze is kleiner dan de voorzwerm. Acht of tien dagen nadat de voorzwerm is weggevlogen, vliegt de tutende, nieuw uitgelopen en nog onbevruchte moer of koningin met een deel van het bijenvolk weg. In deze eerste nazwerm kunnen koninginnen zitten die allemaal nog onbevrucht zijn. Zij vormen ofwel nieuwe afsplitsingen ofwel zij bevechten elkaar op leven en dood, totdat er nog één koningin overblijft. Een volk kan slechts één koningin gebruiken. [N 63, 29c; N 63, 37b; N 63, 37e; JG 1a+1b; JG 2b-5; A 9, 6; monogr.]
II-6
|
| 21564 |
eerste opbod |
bij opbod:
slechts bij opbod verkocht (L270p Tegelen)
|
de eerste verkoping i.v.m. een openbare verkoping van onroerende goederen, waarbij bij opbod wordt geboden [den inzet?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 29027 |
eerste pas |
witte pas:
wetǝ pas (L270p Tegelen)
|
De eerste, ruwe pas waarvoor het colbert geheel in elkaar moet worden geregen zonder voering. Volgens de informant van K 361 is er maar één pas. [N 59, 76a]
II-7
|
| 33121 |
eerste rij schoven van het dorsbed |
onderlaag:
ǫŋǝrlǭx (L270p Tegelen
[(bij boekweit)]
)
|
De meest gebruikelijke inrichting van het dorsbed bestaat uit één lange rij schoven, in de lengterichting van de dorsvloer achter elkaar gelegd, en daarop een tweede laag die bestaat uit twee rijen, met de koppen van de schoven naar elkaar toegekeerd, zodat de aren op de eerste, ondersterij rusten. In dit lemma staan de benamingen van de eerste, onderliggende rij bijeen, die in lengterichting achter elkaar liggen. Opmerkenswaard (en elders ongebruikelijk) is hetgeen de zegsman van L 330 opgeeft: "drie of vier schoven werden losgemaakt en uitgespreid over de dorsvloer voordat het eigenlijke bed van twee rijen schoven met de koppen naar elkaar toe werd gelegd". Voor de fonetische documentatie van de woord(delen) [bed] en [brei], zie het lemma ''dorsbed, de laag schoven op de dorsvloer'' (6.1.16). Zie ook afbeelding 11, a.' [N 14, 17a; JG 1c, 2c; monogr.]
I-4
|
| 20520 |
eetbare slak |
schnecke (du.):
sjnèk (L270p Tegelen)
|
slak; Hoe noemt U: Een eetbare slak (karakol, kreukel) [N 80 (1980)]
III-2-3
|