| 31912 |
fermetguts |
bolle guts:
bǭlǝ gø̜ts (L270p Tegelen)
|
Gutsbeitel waarvan de snede zich aan de bolle zijde van het blad bevindt. Zie ook afb. 69. [N 53, 39a-c]
II-12
|
| 21127 |
fiets |
fiets:
fiets (L270p Tegelen),
’ne fiets (L270p Tegelen)
|
fiets: Mn - is stuk, ik moet lopen [DC 35 (1963)] || Wat is de dialectbenaming voor een rijwiel in het algemeen [N 99 (1991)]
III-3-1
|
| 31758 |
figuurzaag |
figuurzaag:
figȳrzāx (L270p Tegelen)
|
Handzaag, waarvan het zeer smalle zaagblad in een metalen beugel gespannen is. De figuurzaag wordt gebruikt om fijne vormen in licht plaatmateriaal, zoals triplex, uit te zagen. Zie ook afb. 17. [N 53, 11; monogr.]
II-12
|
| 32452 |
fijn afgewerkte klomp |
kapklomp:
kapklomp (L270p Tegelen)
|
Geschilderde en van versierende uitsnijdingen voorziene klomp. [N 97, 149; monogr.]
II-12
|
| 33688 |
fijn droog stof |
melm:
mɛlm (L270p Tegelen)
|
Fijn droog stof op landwegen. [N 27, 37c]
I-8
|
| 31883 |
fijn vijlen |
vijlen:
vīlǝ (L270p Tegelen)
|
Een stuk hout bewerken met een fijne houtvijl. [N 53, 158b]
II-12
|
| 31827 |
fijne blokschaaf |
blokschaaf:
[blokschaaf] (L270p Tegelen)
|
Blokschaaf met dubbele beitel die wordt gebruikt om het hout zeer glad af te schaven. [N 53, 57; monogr.]
II-12
|
| 25170 |
fijne hagel |
fijne hagel:
fiene hagel (L270p Tegelen),
fienen hagel (L270p Tegelen),
hagel:
hagel (L270p Tegelen),
hagelschrot:
hagelsjrot (L270p Tegelen)
|
fijne hagel [sjrot, schrot] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 33837 |
fijngebouwd |
fijn:
fīǝn (L270p Tegelen)
|
Gezegd van een paard met dunne, fijngebouwde poten. [N 8, 64c]
I-9
|
| 20511 |
filet, haas |
filet:
filee (L270p Tegelen)
|
lendestuk; Hoe noemt U: Lendestuk, ossehaas (ossehaas, harst, osseharst, runderharst, filet) [N 80 (1980)]
III-2-3
|