| 32144 |
fineerzaag |
fineerzaag:
finērzāx (L270p Tegelen)
|
Zaagje met een aan beide zijden getand zaagblad, dat wordt gebruikt om fineerhout te zagen. Zie ook afb. 165. [N 53, 13a; N 53, 14; monogr.]
II-12
|
| 24145 |
fitis |
ovenmusje:
aovemöske (L270p Tegelen)
|
fitis
III-4-1
|
| 18648 |
flaphoed |
flambard (fr.):
flembaar (L270p Tegelen),
flaphoed:
flaphood (L270p Tegelen)
|
flaphoed, slappe hoed met brede luifel [flambaar(hoed)] [N 25 (1964)] || hoed, slappe, vilten ~ met deuk [lösjhood, scheurhood] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 20838 |
flauw |
leps:
voornamelijk van koffie of thee
leps (L270p Tegelen)
|
smakeloos en flauw
III-2-3
|
| 18010 |
flauwvallen |
flauwvallen:
flauw valle (L270p Tegelen),
van de sokken gaan:
ging van de zök (L270p Tegelen),
van de zök gaon (L270p Tegelen),
van zijn stokje vallen:
veel van zien sjtökske (L270p Tegelen)
|
het bewustzijn verliezen [DC 60 (1985)] || Wilt u het volgende zinnetje aanvullen: hij kreeg zon harde klap, hij viel ... neer. (buiten bewustzijn) [DC 60 (1985)]
III-1-2
|
| 31574 |
flensbeslag |
flensband:
flɛns˱baŋk (L270p Tegelen),
flensbeslag:
flɛns˱bǝšlā.x (L270p Tegelen)
|
IJzeren wielband met opstaande rand waarin een massieve rubberband kan worden aangebracht. Zie ook afb. 209b. [N G, 46b]
II-11
|
| 20525 |
flensje |
flensje:
flènsje (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke
flensje (L270p Tegelen)
|
flensje; Hoe noemt U: Een dun pannekoekje, een flensje (struifje, koekje, flensje, broedertje) [N 80 (1980)] || Wentelteefjes (fleweene brood, fluweele brood, verdwene brood, verwèène brood?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18912 |
flink; flinke persoon |
flink:
flink (L270p Tegelen)
|
flink: U loopt nog - voor iemand van uw leeftijd [DC 39 (1965)]
III-1-4
|
| 18021 |
fluim |
fluim:
fluum (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
groene, een -:
ene greune (L270p Tegelen),
klark:
klark (L270p Tegelen),
kliek:
WNT: kliek (II), 3): Fluim. Verouderd. [!!]
kleek (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
fluim [klad, kwalster, kwaaier] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 18024 |
fluimen uitspuwen |
klarken:
klarke (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
klieken:
WNT: klieken (I), 3) Fluimen uitspuwen.
kle(e)ke (L270p Tegelen),
spijen:
[verl.tijd, rk?]
sjpeede (L270p Tegelen)
|
spuwen: fluimen uitspuwen [kwalstere, kwaajere, uitgooje] [N 10 (1961)]
III-1-2
|