| 25233 |
gaan liggen (van de wind) |
zich leggen:
də wink haet zig gəlag (L270p Tegelen)
|
gaan liggen, gezegd van de wind [stillen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 20530 |
gaar |
gaar:
gaar (L270p Tegelen)
|
gaar; Hoe noemt U: Goed gekookt (gaar, murw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 29888 |
gaar stoken |
gaar stoken:
gār štǭkǝ (L270p Tegelen)
|
Pannen bakken door de oven op de hoogst vereiste hittegraad te brengen. Volgens een invuller uit L 290 verkreeg men door met dennen (dɛn\) te stoken rode pannen (ru\ pan\). Wanneer men met elzeschansen (ęlz\ēans\) werkte, ontstonden blauwe pannen (blaw pan\). Zie ook het lemma ɛblauwstokenɛ. Daar wordt door de invullers ook dennehout genoemd voor het ɛblauwstokenɛ. Zie voor de verdere terminologie bij het bakken van dakpannen de paragraaf over de veldoven.' [monogr.; N 27 add.]
II-8
|
| 29558 |
gaarstoken |
gaarstoken:
gārštǭkǝ (L270p Tegelen)
|
De te bakken voorwerpen in een pottenbakkersoven stoken tot ze de juiste temperatuur hebben bereikt. Wanneer de potten slechts eenmaal gebakken worden dient een temperatuur van ongeveer 950o bereikt te worden. Bij geglazuurde waar kan ook tweemaal gebakken worden; de gaarheid kan dan bij het in de eerste bakperiode nog ongeglazuurde goed reeds bij 500 tot 600o bereikt worden. In L 163 werd de van gaten voorziene muur vóór de schoorsteen met kleislib dichtgegooid en het stookgat afgesloten en afgesmeerd wanneer de oven gaar was. [N 49, 87; monogr.]
II-8
|
| 18345 |
gaatje voor de schoenveter |
rijggat:
ri-jgaater (L270p Tegelen),
ri-jgater (L270p Tegelen),
riejgater (L270p Tegelen)
|
gaatjes in de schoen waardoor de veter wordt geregen [riegaater] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 32673 |
galgpalen |
galgen:
galǝgǝ (L270p Tegelen)
|
Op het asblok van de oude houten karploeg stonden twee vertikale latten of staven die van een rij gaten voorzien waren. De ploegboomdrager werd langs deze latten op de gewenste hoogte geschoven en op elk van beide met een pin vastgezet. De termen pinnenlat en verstellat lijken betrekking te hebben op één van de beide palen. Sommige andere benoemen wel het mede door deze latten gevormd raamwerk in zijn geheel. [N 11, 31.II.g; N 11A, 97g.]
I-1
|
| 23265 |
galmgaten |
galmgaten:
galmgaten (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
galmgater (L270p Tegelen)
|
De open vensters in de klokketoren, waardoor het geluid van de klok(ken) naar buiten galmt [schalvensters, almsgatter, galmgaten?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24650 |
galnoot |
poepappel:
poep’appel (L270p Tegelen)
|
gap-appel
III-4-3
|
| 33849 |
galopperen |
(op de, een) drieslag (lopen):
drē̜i̯šlax (L270p Tegelen),
viervoetig (lopen):
vērvø̄tex (L270p Tegelen)
|
De galop is een drie-tempogang. Het paard beweegt met lange, gelijkmatige passen en leidt met één van de voorbenen. Beginnend met het rechter voorbeen gaat het als volgt verder: links achter (linker diagonaal), rechts achter en links voor, gevolgd door een zweefmoment. Bij het grootste aantal paarden hoort men drie hoefslagen (zie drieslag), waarbij de nederzetting van de twee voeten overkruis geschiedt. Enkel bij de galop van zeer goed gedresseerde man√®gepaarden worden de vier hoefslagen gehoord. Dit laatste heeft niets te maken met "vierkappens, vierklauwens of viervoetig lopen", wat "snel lopen" betekent. Zie afbeelding 10. [JG 1b; N 8, 20, 81c, 81d, 81e en 81f]
I-9
|
| 19375 |
gang |
gang:
gaŋk (L270p Tegelen)
|
gang
III-2-1
|