| 33640 |
landerijen |
hof:
hǫǝf (L270p Tegelen),
land:
laŋk (L270p Tegelen),
lãŋk (L270p Tegelen),
veld:
vɛlt (L270p Tegelen)
|
Het geheel van bebouwde akkers, weilanden en velden, behorend bij een boerderij. [N 6, 33a; N 5A, 76d; A 10, 3; A 11, 4; A 20, 1b; JG 1b, 1d; L 37, 11a; L 38, 23; L 44, 27; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 32822 |
landrol |
rol:
rǫl (L270p Tegelen),
wel:
wɛl (L270p Tegelen)
|
De vroeger houten, later ijzeren rol om aard-kluiten van geploegd land te breken, de akker vlak te maken, het zaad in de aarde vast te drukken, enz. Zie afb. 81 en 82. [JG 1a + 1b; N 11, 86; N 11A, 183 + 185; N J, 10 add.; N P, 20 add.; A 40, 9; monogr.]
I-2
|
| 24917 |
landstreek |
streek:
sjtreek (L270p Tegelen)
|
landstreek, gebied dat door bijv. tradities, landschap, taal enz een zekere eenheid vormt [contrei, streek, strom] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33787 |
lang ruw haar rond buik en uier |
duivelshaar:
dyvǝlshǭr (L270p Tegelen)
|
Eerste haar dat een veulen verliest. [N 8, 23]
I-9
|
| 18329 |
lang schortlint |
snoer:
sjneur (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjneure (L270p Tegelen),
sjnoor (L270p Tegelen),
sjnòor (L270p Tegelen)
|
1. bindlint van schort of doek || linten, lange ~ of banden waarmee een voorschoot om het middel wordt geknoopt [binders] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 33838 |
langbenig paard |
(een) hoge:
hūǝgǝ (L270p Tegelen),
kluppel:
klø̜pǝl (L270p Tegelen)
|
[N 8, 20 en 62i]
I-9
|
| 29987 |
lange bouwladder |
steigerleider:
[steiger]lęjǝr (L270p Tegelen)
|
Ladder waarmee de eerste of tweede verdieping van een steiger bereikt kan worden. In het eerste geval is de ladder doorgaans 4 m lang, wanneer de ladder tot de tweede verdieping reikt, 7 tot 8 m. Bouwladders onderscheiden zich van andere ladders doordat zij meestal van rond steigerhout vervaardigd zijn. De sporten van een bouwladder zijn in het rondhout ingekeept en met draadnagels vastgezet. [N 32, 9a; monogr.]
II-9
|
| 18286 |
lange broek |
lange boks:
lang bòks (L270p Tegelen),
lang bôks (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
lange bóks (L270p Tegelen)
|
pantalon, lange broek [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18368 |
lange grijze kous |
slachterssok:
sjlechterszök (L270p Tegelen),
šlechterszök (L270p Tegelen)
|
kousen, lange grijze ~ die door slagers (beenhouwers) over de broekspijpen worden gedragen [beenhouwerskousen] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18367 |
lange kleurige herenkous |
sportkous:
sjportkouse (L270p Tegelen)
|
mannenkousen, lange kleurige ~ (vero) [hooze] [N 24 (1964)]
III-1-3
|