| 24570 |
lelietje-van-dalen |
klokje:
klökskes (L270p Tegelen)
|
lelietje-van-dalen [DC 57 (1982)]
III-4-3
|
| 19535 |
lemmer |
lemmet:
lemmet (L270p Tegelen),
lemmets (L270p Tegelen),
limet (L270p Tegelen),
mets:
mets (L270p Tegelen)
|
snijblad van een mes (lemmer, lemmet) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 17643 |
lende |
lende:
linge (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
RK: ss. lende + lam ?
lingelaam (L270p Tegelen)
|
lendenen [lenge, leene, leende] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25627 |
leng |
leng:
lɛŋ (L270p Tegelen)
|
Leng is een ziekte in het brood veroorzaakt door de "lengbacil". De leng openbaart zich allereerst door een onaangename zoete geur tezamen met een verkleuring en kleverig worden van de kruim van het brood (Schoep blz. 117). Werkt de leng door dan wordt de verkleuring groter, de kruim wordt kleveriger en de geur wordt zeer onaaangenaam. Breekt men het brood door, dan ziet men bruine kleverige draden tussen de afgebroken delen. Het brood is dan niet voor consumptie geschikt. Bij normale omstandigheden van vocht en temperatuur kan de leng-bacil zich niet ontwikkelen. In de zomermaanden is het ontstaan van leng het meest voor de hand liggend. Zo snel mogelijke afkoeling van het brood en het bewaren op een koele luchtige plaats bestrijdt doelmatig het euvel van de leng (Schoep blz. 147). Het lemma bestaat uit verschillende grammaticale categorieën. [N 29, 72; N 29, 68a; monogr.]
II-1
|
| 28934 |
lengte |
lengte:
leŋtǝ (L270p Tegelen)
|
Benaming voor een verticaal genomen maat, in het bijzonder als tweede deel van een samenstelling als broeklengte, of voor een horizontaal genomen maat voor een verticaal deel van het kledingstuk, in het bijzonder als tweede deel van een samenstelling als mouwlengte. [N 59, 47a, N 62, 2b]
II-7
|
| 31986 |
lengtedoorsnede |
verticale doorsnede:
vɛrtikālǝ dōršnet (L270p Tegelen)
|
Een getekende, verticale doorsnede van een werkstuk, bijvoorbeeld van een meubel. [N 53, 205e]
II-12
|
| 17558 |
lenig |
gezwank:
gezjwank (L270p Tegelen),
lenig:
lenig (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
Tegenwoordig ook.
lenig (L270p Tegelen),
zwak:
zjwââk (L270p Tegelen),
zwaak (L270p Tegelen)
|
Gebruikt men bij u een woord als zwak in de zin van lenig, buigzaam? Zo ja, hoe is dan de uitspraak? [DC 43 (1968)] || lenig [zwak, gezwak] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17559 |
lenig persoon |
zo zwak als een vits:
zo lenig als een twijg
zo zjwaak as ’n wits (L270p Tegelen)
|
Gebruikt men bij u een woord als zwak in de zin van lenig, buigzaam? Zo ja, hoe is dan de uitspraak? [DC 43 (1968)]
III-1-1
|
| 24895 |
lente, voorjaar |
lente:
de linkte (L270p Tegelen),
lingkte (L270p Tegelen),
Opm. v.d. invuller: ev. (ik denk dat hij eventueel bedoelt?).
de lingkte (L270p Tegelen),
s lentes (in de lente):
sjlink⁄tes (L270p Tegelen),
voorjaar:
veurjaor (L270p Tegelen)
|
in de lente || lente [DC 39 (1965)]
III-4-4
|
| 34357 |
lepbig |
flessenbag:
flɛsǝmbaq (L270p Tegelen)
|
Een big die met koemelk wordt grootgebracht. [N 19, 15; N 19, 16; monogr.]
I-12
|