| 18955 |
lepe, doortrapte kerel |
filou (fr.):
filoe (L270p Tegelen)
|
ploert, persoon met een vals en gemeen karakter
III-1-4
|
| 19553 |
lepel |
lepel:
laepel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
lēͅpəl (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
lèpel (L270p Tegelen),
léépel (L270p Tegelen)
|
lepel [DC 35 (1963)] || lepel in het algemeen (lepel, lippel, leeper) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 25465 |
lepel waarmee men de darmen schoonmaakt |
lepel:
lepel (L270p Tegelen)
|
Met een lepel o.a. schrabt men het vuil van de binnenste buiten gekeerde darm. [N 28, 118; monogr.]
II-1
|
| 32323 |
lepelavegaar |
ever:
ē̜vǝr (L270p Tegelen),
lepelboor:
lē̜pǝlbǭr (L270p Tegelen)
|
De van een T-vormig handvat voorziene boor met een holrond, taps uitlopend boorijzer die dient om het met behulp van de handboor voorgeboorde bomgat en tapgat groter te maken. Zie ook afb. 227. [N E, 48c]
II-12
|
| 31924 |
lepelboor |
boorvlim:
bǭrvløm (L270p Tegelen),
lepelboor:
lē̜pǝlbǭr (L270p Tegelen)
|
Boorijzer voor hout met een lepelvormig uiteinde. Het snijvlak van de boor is half bolvormig. Zie ook afb. 74b. De lepelboor wordt door verschillende houtbewerkers gebruikt. De wagenmaker boort er onder meer de voorgeboorde naven van karwielen verder mee uit zodat daar vervolgens de naafbus in geplaatst kan worden. [N 33, 329; N 53, 162a; N G, 31c; monogr.]
II-12
|
| 19556 |
lepelrek |
lepelenrek:
lēēpelerek (L270p Tegelen),
lepelenrekje:
laepele-rèkske (L270p Tegelen)
|
rekje aan de wand waarin lepels worden bewaard [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 18340 |
leren beenkap |
gamasche:
kamasse (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
kemasse (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
lederen beenkappen [kemasse, kamasje] [N 24 (1964)] || leren beenkappen
III-1-3
|
| 18653 |
leren muts die onder de kin wordt gesloten |
bivakmuts:
bivakmuts (L270p Tegelen)
|
muts, op bivakmuts gelijkende lederen ~ die onder de kin met een knoop wordt gesloten [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 25355 |
leren schede |
foedraal:
fūdrāl (L270p Tegelen),
gereietas:
gręjǝtas (L270p Tegelen),
messenkoker:
mɛtsǝrkǭkǝr (L270p Tegelen)
|
De slachter draagt vaak aan zijn gordel een leren of houten "holster", waarin hij het gereedschap dat hij tijdens het slachten steeds bij de hand moet hebben, met name de messen, opbergt. Daarnaast heeft hij meestal nog een tas of iets dergelijks bij zich, waarin hij zijn overig gereedschap (de bijl, het schietmasker, de brander e.d.) vervoert. Het is goed mogelijk dat een aantal respondenten op deze tas doelt. Een eventuele toevoeging leren wordt niet fonetisch gedocumenteerd. Zie afb. 3. [N 28, 121a; N 28, 121b; monogr.]
II-1
|
| 19383 |
leunstoel |
leunstoel:
lø͂ͅnštōl (L270p Tegelen),
proost:
vero
prōͅ.s (L270p Tegelen)
|
leunstoel || rieten leuningstoel
III-2-1
|