| 30144 |
liggende rollaag |
kopse rollaag:
kǫpsǝ rǫllǭx (L270p Tegelen)
|
Muurafdekking in de vorm van een laag op hun kant liggende metselstenen. Woordtypen als 'halfsteens rollaag' (L 289, Q 111), 'halfsteense rollaag' (L 290, L 291, L 382, Q 99*, Q 121) en 'steensrollaag' (Q 39) verwijzen naar de hoogte van de rollaag. [N 31, 23d; monogr.]
II-9
|
| 26438 |
ligger |
ligger:
leqǝr (L270p Tegelen)
|
De onderste, stilliggende molensteen. [N O, 17d; A 42A, 32; N D, 6; Sche 48; Vds 86; Jan 120; Coe 97; Grof 118; monogr.]
II-3
|
| 34185 |
lijfbieden, prolapsus vaginae |
de koningskop uit:
dǝ kø̄neŋskop ūt (L270p Tegelen),
het lijf uit:
ǝt līf ūt (L270p Tegelen)
|
Het uitzakken van de bovenrand van de schede, die dan vooral bij liggende dieren buiten de schaamlippen te voorschijn komt als een roze bal, die meestal gauw min of meer ontstoken raakt. Een prolapsus vaginae ontstaat wanneer er een verslapping optreedt in het weefsel dat de vagina vasthoudt in het bekken. [N 3A, 97; N 52, 30a; A 48A, 44a]
I-11
|
| 20443 |
lijkbaar |
baar:
baar (L270p Tegelen)
|
De lijkbaar [liechebaar, baar]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20464 |
lijkbidder |
lijkbidder:
lijkbidders (L270p Tegelen),
naaste buur richting kerkweg
lijkbidder (L270p Tegelen)
|
het overlijden aanzeggen; wat is de benaming voor de persoon die dat deed? [VC 30 (1964)] || lijkbidders; wordt het overlijden aangezegd door de naaste buren of door lijkbidders? Hoe heten deze (aanzeggers, aansprekers, groeveneugers, uitingstneugers, lijkers, enz.)? (duidelijk vermelden of deze naam op de buren of op de lijkbidders slaat) [VC 03 (1937)]
III-2-2
|
| 20254 |
lijkenhuisje |
dodenhuisje:
doeedehuuske (L270p Tegelen),
lijkenhuisje:
liekehuske (L270p Tegelen),
liekehuuske (L270p Tegelen)
|
Het gebouwtje op of bij het kerkhof, waar de lijkbaar staat en waar men vroeger zo nodig een lijk tijdelijk onderbracht [lijkenhuisje, liek(e)huuske, dodenhuisje, doeëdehuus-je?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 20186 |
lijkstro |
bosjes:
bosjes (stro) voor onder de kist: waren met drie bandjes gebonden
bosjes (L270p Tegelen)
|
lijkstroo; Hoe noemt men dit lijkstroo (schoofstroo, reeuwstroo, enz.). Zij er bepaalde uitdrukkingen die hiermee verband houden (bv. hij komt van het bed op het stroo) [VC 03 (1937)]
III-2-2
|
| 20466 |
lijkwagen |
lijkenwagen:
liekenwage (L270p Tegelen)
|
de lijkwagen [doeëdewaan] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 32014 |
lijmknecht, sergeant |
klem:
klɛm (L270p Tegelen),
sergeant:
sǝržant (L270p Tegelen),
sɛrzant (L270p Tegelen)
|
Houten of metalen werktuig waarmee te lijmen delen vastgeklemd kunnen worden. Het bestaat uit één of twee lange benen waarop twee dwarsstukken zitten die met behulp van een draadspil naar elkaar toe gedraaid kunnen worden en de te lijmen delen op deze wijze vastklemmen. Lijmknechten bestaan in verschillende uitvoeringen en afmetingen. Met de in dit lemma opgenomen benamingen worden doorgaans grotere lijmknechten aangeduid, waarbij de lengte van het been of de benen meer dan 30 cm bedraagt. Zie ook afb. 120 en 121. [N 53, 216c; N 53, 217b; N 53, 215; N G, 15; monogr.]
II-12
|
| 32017 |
lijmtang |
lijmtang:
līmtaŋ (L270p Tegelen)
|
Een kort ijzeren of houten werktuig waarmee te lijmen delen vastgeklemd kunnen worden. De metalen lijmtang bestaat uit een been waarop een vaste en een verschuifbare bek zijn aangebracht. De verschuifbare bek is voorzien van een draadspil met handvat waarmee de klem tegen de te lijmen delen vastgeklemd kan worden. Zie ook afb. 122. [N 53, 217a; monogr.]
II-12
|