| 32676 |
lijnogen |
ogen:
ǫu̯gǝ (L270p Tegelen),
ogen voor de leis:
ǫu̯gǝ vør dǝ lęi̯.s (L270p Tegelen)
|
Boven aan de voorploeg van bepaalde karploeg-typen bevindt zich een lat, waarvan de uiteinden zijn voorzien van of eindigen in een ring of schroefvormige krul, waar men de ploeglijn doorheen haalt. Deze "ogen" houden de dubbele ploeglijn gescheiden en voorkomen, dat ze bij het keren onder in de voorploeg verward zou raken of met de grond in aanraking zou komen. Bij een ander (wentel)ploegtype fungeert de brede beugelvormige handgreep van de dieptehefboom als leidselhouder. [N 11, 31.II.j; N 11A, 97j + 98b]
I-1
|
| 33273 |
lijnzaad, vlaszaad |
lijzend:
lēzǝnt (L270p Tegelen)
|
Linum usitatissimum L. Lijnzaad is de gebruikelijke naam voor het zaad van de vlasplant en, in verband met de olieproduktie, ook voor het gewas. Zie paragraaf 4.2 en in het bijzonder het lemma Vlas. Uit de gerepelde en gedorste zaadbollen wordt olie geslagen, de lijnolie; de overblijvende pulp is een gezocht veevoer. De vormen die hier zijn samengebracht onder de typen lijzend en lijzens zijn te beschouwen als varianten van lijzaad, met een bijzondere verzwaring van het eerste lid. Ze zijn als afzonderlijke typen behandeld vanwege de samenstellingen in dit lemma en in de volgende lemmaɛs. [S 22; Wi 18; monogr.; add. uit JG 1b; L 1 a-m; L 1 u, 149; L 42, 59; RND 31]
I-5
|
| 33275 |
lijnzaadpap |
lijnzaadmeeldrank:
[lijnzaad]mɛldrāŋk (L270p Tegelen)
|
De "pap", ofwel het vloeibare veevoer dat van lijnzaadmeel wordt gemaakt. De zegsman uit Maastricht merkt op dat de pap ook medicinale kracht heeft en gebruikt wordt om op een wond te leggen. Indien in samenstellingen met lijnzaad- dit woorddeel onverkort is gebleven en gelijk aan de opgave voor lijnzaad in dat lemma, dan is hier naar de variant van het lemma Lijnzaad, Vlaszaad verwezen. Voor de typen lijzend en lijzens naast lijzaad zie de toelichting bij het lemma Lijnzaad, Vlaszaad. [RND 31; monogr.; add. uit L 1 a-m; L 1 u, 149; L 42, 59]
I-5
|
| 24567 |
lijsterbes |
lijsterkral:
lies’terskralle (L270p Tegelen)
|
lijsterbessen
III-4-3
|
| 20492 |
likken |
lekken:
lèkke (L270p Tegelen)
|
likken; Hoe noemt U: Met de tong over iets heen en weer gaan om zo het voedsel op te nemen (likken, lekken, leppen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20725 |
limburgse kaas |
stinkkaas:
Syst. Veldeke
sjtinkkieès (L270p Tegelen),
Syst. WBD
sjtinkkie‧s (L270p Tegelen),
sjtinkkiës (L270p Tegelen),
sjtinkkīēs (L270p Tegelen)
|
Limburgse kaas, Hervese kaas (stinkkaas, rommedoe?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20904 |
limonade |
limonade:
limonaad (L270p Tegelen),
limonaat (L270p Tegelen)
|
limonade door een rietje zuigen [DC 35 (1963)]
III-2-3
|
| 28645 |
lindehoning |
lindehoning:
leŋǝhōneŋ (L270p Tegelen)
|
Honing afkomstig van de lindebloesem. De linde is met koolzaad, heide, fruit en klaver één van de belangrijkste drachtbronnen. Men spreekt van lindehoning, heihoning enz., wanneer de nectar van die bepaalde boom of plant voor het grootste deel de grondstof vormt voor honing. Naast de genoemde drachtbronnen kunnen allerlei soorten bomen en planten als acacia, distel, korenbloem, wilde klaver, boekweit en kastanje leveranciers zijn van nectar. Per plant of boom is de hoeveelheid bloesem en dus ook de nectar van jaar tot jaar wisselvallig en sterk afhankelijk van factoren zoals weer en vruchtbaarheid van de bodem. De verschillende drachtbronnen beīnvloeden kleur, smaak, vochtigheidsgehalte en geur van de honing. Zo is lindehoning amberkleurig en dun vloeibaar met een naar munt zwemende geur (De Roever, pag. 380). [N 63, 112b; Ge 37, 133; monogr.]
II-6
|
| 34091 |
linkerachterkwartier |
bij de hand achter:
bɛi̯ dǝ haŋk axtǝr (L270p Tegelen),
linkerachterdeem:
leŋkǝraxtɛrdīǝm (L270p Tegelen)
|
Het kwartier van de uier links achter. In de vraagstelling stond erbij wat betreft de positie van de kwartieren "van achteren gezien". [N 3A, 116b]
I-11
|
| 33765 |
linkerkant van het paard |
bij de hand:
bēi̯ dǝ haŋk (L270p Tegelen)
|
Kant waar de voerman het paard leidt. [N 8, 9 en 10]
I-9
|