| 34264 |
longen |
longen:
loŋǝ (L270p Tegelen)
|
De longen of de long van het grootvee in het algemeen. [N 28, 88b]
I-11
|
| 29506 |
loodglazuur |
lood:
lūt (L270p Tegelen),
loodsel:
lȳtsǝl (L270p Tegelen)
|
Een hoofdzakelijk uit loodoxyde bestaand glazuur voor aardewerk. Op gebruiksvoorwerpen mag loodoxyde tegenwoordig vanwege de giftigheid niet meer gebruikt worden. In L 270 kende men naast het loodglazuur ook borax (borks) als glazuur. [N 49, 53c; monogr.]
II-8
|
| 30081 |
loodplank |
waterpaslood:
wātǝrpasluǝt (L270p Tegelen)
|
Instrument om te onderzoeken of iets horizontaal ligt of overal even hoog is. Zie ook afb. 30. De loodplank werd als volgt vervaardigd. In een rechthoekig houten bord sloeg men aan de bovenkant, in het midden, een haak. Vanuit die haak werd een loodlijn getrokken naar de onderzijde van het bord. Aan de haak werd een touw met ijzeren gewichtje (vgl. het schietlood) bevestigd. Als men wilde controleren of een muur waterpas was, werd de loodplank er bovenop geplaatst. Wanneer het gewicht ten opzichte van de streep naar links of rechts uitweek, was de muur niet horizontaal. Naast de vierkante loodplank kende men ook een driehoekig model. [N 30, 12c; monogr.]
II-9
|
| 24846 |
loof |
loof:
lóuf (L270p Tegelen)
|
loof van veldgewassen
III-4-3
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
afbladeren:
āfblārǝ (L270p Tegelen)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|
| 21686 |
loon |
loon:
loën (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
verdienst:
verdeens (L270p Tegelen)
|
loon, wat men verdient [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25605 |
loonbak |
huisbak:
husbak (L270p Tegelen)
|
Deeg van brood en gebak dat aan huis is klaargemaakt en dat naar de bakker wordt gebracht om er brood of gebak van te laten bakken tegen een vergoeding. [N 29, 98; monogr.]
II-1
|
| 25604 |
loonbakken |
huisbakken:
hūs bakǝ (L270p Tegelen)
|
Het bakken van deeg dat door de mensen bij de bakker wordt gebracht. De bakker krijgt hiervoor een vergoeding. Volgens de informant van L 291 brachten de boeren en burgers hun gemengd deeg naar de bakker. Dit was zeer lastig spul, omdat de samenstelling verschilde en de rijsgraad eveneens. Dikwijls sloeg het in de oven neer. [N 29, 98]
II-1
|
| 20132 |
loops |
hitsig:
heͅtsex (L270p Tegelen),
loops:
luips (L270p Tegelen),
løͅi̯ps (L270p Tegelen),
rammels:
rɛməls (L270p Tegelen)
|
konijn, geslachtsdrift vertonend [N 19 (1963)] || loops, geslachtsdriftig ve teef [N 19 (1963)], [N C (1962)]
III-2-1
|
| 29089 |
loos knoopsgat |
blind knoopsgat:
bleŋk knǫwps˲gāt (L270p Tegelen)
|
Vals of loos knoopsgat. Zoɛn knoopsgat ziet er uit als een echt knoopsgat, maar is niet ingeknipt. Het wordt precies gemaakt als het echte, maar men moet wat kortere steken maken en niet zo diep in de stof steken.' [N 59, 141]
II-7
|