| 18919 |
luieren |
mig (du.):
meu’tig (L270p Tegelen)
|
niet bezig zijn, niets uitvoerend
III-1-4
|
| 20281 |
luiermand |
babymandje:
babymendje (L270p Tegelen)
|
mand; Welke verschillende namen voor verschillende manden kent uw dialect verder nog? geeft u een zo volledig mogelijke opsomming, zonodig met afbeldingen en toelichting. [N 20 (zj)]
III-2-2
|
| 23452 |
luiportaal |
portaal (<oudfr.):
pertaol (L270p Tegelen),
portaol (L270p Tegelen)
|
Het luiportaal, vertrek of ruimte onder de toren waar de klokketouwen hangen. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 31582 |
luns |
luns:
løns (L270p Tegelen),
spie/spij:
špi (L270p Tegelen)
|
Metalen spie die door een gat in het uiteinde van de wagenas wordt gestoken om te verhinderen dat het wiel van de as kan afdraaien. Zie ook afb. 216. [N G, 50c; N 17, 63; JG 1a; JG 1b; Wi 13, add.; L 39, 22, add.; div.]
II-11
|
| 31583 |
lunsschijf |
lunsschijf:
lønsšīf (L270p Tegelen),
opsluitschijf:
opšlūtšīf (L270p Tegelen),
voorstootschijf:
vø̄rštūǝtšīf (L270p Tegelen)
|
Ronde, met het wiel meedraaiende schijf tussen naaf en luns die de naafbus afsluit zodat er tijdens het rijden geen vet of smeer verloren gaat en er geen vuil de naafbus kan binnendringen. Bij modernere, metalen fabrieksassen werd de lunsschijf vervangen door een metalen, dopvormige moer die op de as wordt geschroefd en met behulp van een luns tegen losdraaien wordt vastgezet. Van der Kloes en Van Helden (pag. 21) noemen dit type naafbus halfpatentbus. [N G, 50b; N 17, 64]
II-11
|
| 20566 |
lurken |
lurken:
lörkə (L270p Tegelen)
|
lurken; Hoe noemt U: Hoorbaar zuigen aan een pijp (lurken) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20486 |
lusten |
lusten:
löstə (L270p Tegelen),
zich verhangen aan:
zich verhan’ge aan (L270p Tegelen)
|
abnormaal verlekkerd zijn op een bepaalde spijs of drank || lusten; Hoe noemt U: Houden van een bepaald soort eten of drinken; zin hebben in eten of drinken (lusten, mogen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17696 |
maag |
maag:
maach (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
maag (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
maag [maach, maacht] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 23871 |
maagden in de processie |
maagdenkoor:
maagdekoeër (L270p Tegelen)
|
De grotere meisjes, de jonge vrouwen die, in het wit gekleed, meelopen in de sacramentsprocessie, terwijl ze elk een palmtak (maagdenpalm) of samen een Mariabeeld dragen (maagden, maagdenkoor). [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 34107 |
maagvliezen |
blader:
blār (L270p Tegelen),
(enk)
blāt (L270p Tegelen)
|
De vliezen die binnen in de boekpens zitten. [N 28, 83]
I-11
|