| 34111 |
sneb |
sneb:
šnɛp (L270p Tegelen)
|
Wit vlekje op de snuit van de koe. [N 3A, 137]
I-11
|
| 32880 |
snede van het blad van de zeis |
het scherp:
šęrp (L270p Tegelen),
waat:
wāt (L270p Tegelen)
|
De scherpe snijdende binnenzijde van het blad van de zeis. Zie afbeelding 5, nummer 4. Bedoeld is hier de algemene benaming voor de snijkant van de zeis. In sommige gebieden, met name in enkele dorpen tussen het waat-gebied (in het noorden van Belgisch Limburg) en het snede-gebied (in het zuiden ervan) wordt onderscheid gemaakt tussen de eigenlijke snede en het haarpad: de smalle rand die bij het haren op het zeisblad wordt geslagen en waarvan de snede het uiteinde vormt. Zie voor deze laatste het volgende lemma: ''haardpad''. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enquêtes in gebracht.' [N 18, 68d; JG 1a, 1b, 2c; add. uit N 17, 100; monogr.]
I-3
|
| 20523 |
snee brood |
snede:
sjni-j (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
snede weg:
sjneej wèk (L270p Tegelen)
|
snede van roggebrood || snede van wittebrood || snede; Hoe noemt U: Een snee brood (snee, rondommer) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24388 |
sneep |
koemoel:
karperachtige riviervis met een afgeplatte bek
koe’moel (L270p Tegelen)
|
sneep (vis)
III-4-2
|
| 25192 |
sneeuwbui |
pak sneeuw:
’n pak sjnië (L270p Tegelen),
sneeuwbijs:
’n sjniëbies (L270p Tegelen),
sneeuwbui:
sjniebuuj (L270p Tegelen),
sjniejebuuj (L270p Tegelen),
sjnië-bui (L270p Tegelen),
sni-je buu (L270p Tegelen)
|
sneeuwbui, sneeuwvlaag [sneeuwvlei] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25137 |
sneeuwen |
sneeuwen:
schnieën (L270p Tegelen),
sjnīəjə (L270p Tegelen),
šnēiĕ (L270p Tegelen),
šnīə (L270p Tegelen)
|
sneeuwen [DC 03 (1934)]
III-4-4
|
| 25191 |
sneeuwx |
sneeuw:
schnie (L270p Tegelen),
sjnieje (L270p Tegelen),
sjnië (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
sjnīēe (L270p Tegelen),
sjnījə (L270p Tegelen),
sjníë (L270p Tegelen),
šnēij (L270p Tegelen),
šnīə (L270p Tegelen),
cf. VD D-N s.v. "Schnee
sjnîe (L270p Tegelen)
|
sneeuw [DC 03 (1934)], [RND] || sneeuw [schimmel] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 29457 |
snijarmen en drijfarmen van de kleimolen |
snekken:
šnɛkǝ (L270p Tegelen)
|
De messen en rieken die in de kleimolen ronddraaien en de klei naar het mondstuk drijven. Vgl. ook het lemma ɛsnijarmen en drijfarmen in de voormalerɛ.' [N 49, 16b]
II-8
|
| 32269 |
snijbank, werkbank |
ezel:
ē̜zǝl (L270p Tegelen),
kuipersezel:
kȳpǝrs˱ē̜zǝl (L270p Tegelen),
repenbank:
ręjpǝbaŋk (L270p Tegelen),
snijbank:
šnibaŋk (L270p Tegelen),
trekbank:
tręk˱baŋk (L270p Tegelen)
|
De bank waarop de duigen worden bewerkt. Er zijn diverse uitvoeringen van de snijbank, maar meestal bestaat ze uit een werkblad op vier poten dat op een, eveneens van vier poten voorziene, zitbank is bevestigd. In het werkblad en de daaronder geplaatste bank bevindt zich een sleuf waarin een, om een as draaibare, houten stijl is aangebracht. Aan de bovenzijde van de stijl is een klemkop bevestigd, aan de onderzijde een trede. De kuiper zit schrijlings op de zitbank en bedient met zijn voet door middel van de trede de klemkop waarmee het te bewerken materiaal op het werkblad wordt vastgeklemd. Zie ook afb. 212. De snijbank werd oorspronkelijk ook gebruikt door de hoepelmaker. Het hout voor de hoepels werd op deze bank op dikte en maat gesneden. Vgl. ook het woordtype repenbank. [N E, 18; A 32, 1; monogr.]
II-12
|
| 30940 |
snijmes |
bodemmes:
bǭmmɛts (L270p Tegelen
[(gebruikt om de rand van de bodem van het vat af te schuinen)]
),
trekmes:
trękmɛts (L270p Tegelen)
|
Lang mes met een recht blad en twee, vaak bolvormige, handvatten. Zie ook afb. 209. Het snijmes wordt gebruikt door diverse houtbewerkers zoals de timmerman, de stoeldraaier, de kuiper en de wagenmaker. De kuiper bewerkt er vooral de buitenkant van duigen mee, maar hij vormt er vaak ook de schuine buitenrand mee aan een vatbodem. Vgl. de woordtypen bodemmes en bodemsnijmes. De wagenmaker snijdt er spaken voor karwielen mee. Het eerste lid in het woordtype speekmes verwijst daarnaar. [N E, 13b; N E, 15; N E, 41; N G, 11a; N 33, 272; N 47, 12a; N 53, 76; A 32, 6; monogr.]
II-12
|