| 20512 |
soepvlees |
soepenvlees:
soepəvleis (L270p Tegelen)
|
soepvlees; Hoe noemt U: Mager vlees om soep van te koken (boelie, bouilli, soepvlees) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 31931 |
soevereinboor |
kroeskop:
kruskǫp (L270p Tegelen),
verzinkboor:
vǝrzeŋk˱bǭ.r (L270p Tegelen),
vǝrzɛŋk˱bǭ.r (L270p Tegelen)
|
Boorijzer voor hout waarvan het snijvlak kegelvormig is en voorzien is van verschillende inkervingen. Bij oudere soevereinboren is het boorijzer plat en onderaan spits uitlopend. De soevereinboor wordt gebruikt om de bovenrand van geboorde gaten kegelvormig af te schuinen. Op deze wijze kan bijvoorbeeld de kop van een schroef verzonken in het hout worden aangebracht. Zie ook afb. 76 en het lemma ɛsoevereinboor, verzinkboorɛ in Wld II.11, pag. 78-79. Het betreft daar een vergelijkbaar type boorijzer voor metaal.' [N 53, 166; N G, 31e; monogr.]
II-12
|
| 31932 |
soevereinen |
verzenken:
vǝrzɛŋkǝ (L270p Tegelen)
|
Met de soevereinboor een boorgat kegelvormig afschuinen. Zie ook het lemma ɛsoevereinboorɛ.' [monogr.; N 33, 329 add.]
II-12
|
| 18196 |
sok |
sok:
ich laup altied op mien sök as ich toed bön. Mien vrouw breit-er jidder kier wir niej veut aan (L270p Tegelen),
ich loup altied op mien zök as ich aan ⁄t hoes bön. Mien vrouw sjtrikt d⁄r altied wir niej veut aan (L270p Tegelen),
ich loup altiéd op de zök as ich tóes bön. Mien vrouw sjtrik d⁄r idders kiër wir niej veut aan (L270p Tegelen),
zok (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
zük (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt men de sok (de halflange beenbedekking van den mensch)? [DC 09 (1940)] || sok || sok, korte herenkous [zok, vlink, vlik, ene zök] [N 24 (1964)] || Sokken. Ik loop altijd op mijn sokken als ik thuis ben. Mijn vrouw breit er telkens weer nieuwe voeten aan. [DC 39 (1965)]
III-1-3
|
| 18338 |
sokophouder |
sokophouder:
zokophajer (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
zokophalder (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
zokophouder (L270p Tegelen)
|
sokophouder, band om de kuit [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21287 |
soldaat |
soldaat:
səldoət (L270p Tegelen)
|
soldaat [RND]
III-3-1
|
| 20724 |
soldaatjes |
bradertjes:
Syst. Veldeke
bröterkes (L270p Tegelen),
knapjes:
Syst. Veldeke Knepkes zien hêl gebakke körsjes
knepkes (L270p Tegelen),
krapjes:
Syst. WBD
krèpkes (L270p Tegelen)
|
Stukjes geroosterd of in boter of vet gebakken brood (krepkes?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 21289 |
soldaten |
soldaten:
ṣəldo:tə (L270p Tegelen)
|
soldaten [RND]
III-3-1
|
| 23488 |
soldatenkerkhof |
oorlogskerkhof:
oorlogskerkhaof (L270p Tegelen),
soldatenkerkhof:
seldaotenkerkhof (L270p Tegelen),
sjoldaotekerkhaof (L270p Tegelen)
|
Een soldatenkerkhof, oorlogskerkhof, militaire begraafplaats, ereveld, engels kerkhof e.d. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 31504 |
solderen |
solderen:
sǫldērǝ (L270p Tegelen)
|
Twee of meer metalen delen door middel van soldeersel met elkaar verbinden. Het soldeersel is een metaal of een legering waarvan het smeltpunt lager ligt dan dat van de te verbinden metalen. Het wordt tijdens het solderen met behulp van een soldeerbout, een soldeerlamp, etc. verhit en vloeibaar gemaakt. De te verbinden vlakken worden vóór het solderen met een vloeimiddel gereinigd om het hechten van het soldeersel te vergemakkelijken en om oxidatie van het te solderen materiaal tegen te gaan. Zie ook het lemma "hardsolderen". [N 64, 28a; N 100, 19; L 7, 12; monogr.; N 33, 194 add.]
II-11
|