| 27920 |
spaanders |
spanen:
špø̜̄n (L270p Tegelen
[(enkelvoud: špǭǝn)]
),
spenen:
špīǝn (L270p Tegelen)
|
De kleine stukjes hout die losraken tijdens het werken met de beitel. [N 53, 51; monogr.]
II-12
|
| 28418 |
spaarkast |
spaarkast:
spaarkast (L270p Tegelen)
|
Soort bijenkast. Volgens informanten is de spaarkast enkelwandig (L 265), een kast met bovenbehandeling (L 333) en zonder binnenbak (L 289). Doordat men de kast enkelwandig maakt, bespaart men hout. [N 63, 9]
II-6
|
| 32750 |
spade, spitschop |
schup:
šø̜p (L270p Tegelen),
spaadschup:
špāi̯[schup] (L270p Tegelen)
|
Een schop met een vlak blad, dat min of meer in het verlengde van de steel geplaatst is. Deze schop wordt gebezigd voor het omspitten van de wendakkerhoeken, een lapje grond, de tuin e.d. Al naar gelang de streek en de ervaring is het blad van de spade hartvormig, trapeziumvormig of rechthoekig. Voor het tweede lid van de varianten van samenstellingen zie men het simplex schup verderop in het lemma. [N 11A, 147; N 18, 1 + 2 + 5 + 14; JG 1a + lb; L 7, 15; L 42, 40; Wi 5; Gwn 8, 2; GV, K 7; monogr.; div.]
I-1
|
| 32209 |
spaken snijden |
speken snijden:
špękǝ šniǝ (L270p Tegelen)
|
Met behulp van het snijmes de spaken in model snijden. In modernere wagenmakerijen werden deze werkzaamheden met behulp van een speciale houtbewerkingsmachine uitgevoerd. [N G, 11b]
II-12
|
| 32218 |
spakentrekker |
praam:
prām (L270p Tegelen),
trekhaak:
trękhǭk (L270p Tegelen)
|
Houten werktuig, bestaande uit twee houten stokken die aan de bovenzijde verbonden zijn met een touw of ketting. Met behulp van de spakentrekker worden er van de in de naaf gedreven en reeds gerichte spaken steeds twee omvat en bijeengetrokken, zodat de velgspaakpennen precies in de spaakgaten van een velgsegment passen. Het velgsegment kan er dan met behulp van een hamer op worden geslagen. Zie ook afb. 190. In Oirsbeek (Q 33) werden de spaken met behulp van een ketting (kɛtǝ) bij elkaar getrokken.' [N G, 10a-b]
II-12
|
| 25427 |
spanhout |
latje:
latje (L270p Tegelen),
steunbalken:
steunbalken (L270p Tegelen),
toegespitste stok:
toegespitste stok (L270p Tegelen)
|
Het hout dat meer specifiek gebruikt wordt om het dichtklappen van het dier te voorkomen. Men steekt het hout achter de achillespezen van de achterste poten, vaak voorzien van inkepingen, waarin dan de pezen worden geschoven, zodat deze niet weg kunnen. Overeenkomst van betekenis met het begrip "slachthout" is duidelijk zodat voor nogal wat respondenten de begrippen "slachthout" en "spanhout" samenvallen. De informant van P 50 merkt op, dat er gaten in deze balk zitten waardoor een spie steekt. Aldus kan het spanstuk voor twee doeleinden gebruikt worden. Zie ook het lemma ''slachthout''. [N 28, 64; N 28, 65; N 28, 68]
II-1
|
| 31765 |
spanlat van de spanzaag |
spanhoutje:
španhø̜ltjǝ (L270p Tegelen),
spanlat:
španlat (L270p Tegelen
[(diminutief: španlɛtjǝ)]
),
wig:
wex (L270p Tegelen)
|
Latje waarmee het spantouw aangedraaid wordt om de zaag op te spannen. Om te voorkomen dat het touw ontspant, zet men het latje vast achter de spanregel. Zie ook afb. 18. [N 53, 8b; N I, 1b; monogr.]
II-12
|
| 22911 |
spanne add. |
spannen (ww.):
De eerste jongen wierp een knikker voor zich uit. Zijn tegenspeler trachtte dan met een eigen knikker die van zijn kameraadje te raken, of althans zo dicht mogelijk te benaderen, zodanig, dat hij de afstand tussen beide knikkers kon overbruggen met duim en pink van zijn uitgespreide hand. Men noemde dit sjpanne. [niet in woordenlijst]
sjpanne (L270p Tegelen)
|
Sub Knikkerspelen.
III-3-2
|
| 33743 |
spanstokje |
schraagpaal:
šxrāxpǭl (L270p Tegelen),
trekpaaltje:
trękpø̜̄lkǝ (L270p Tegelen),
vregelhoutje:
vręi̯gǝlhø̜ltjǝ (L270p Tegelen)
|
Stok of paaltje in de afrasteringsdraad waarmee men die draad spant. [N 14, 65]
I-8
|
| 31764 |
spantouw van de spanzaag |
spantouw:
špantǫw (L270p Tegelen)
|
Het touw aan de bovenzijde van het spanzaagraam waarmee de spanzaagarmen en het zaagblad worden opgespannen. Zie ook afb. 18. [N 53, 8a; N I, 1a; monogr.]
II-12
|