| 20165 |
spenen |
spenen:
špīnǝ (L270p Tegelen),
van het paard zetten:
van t pē̜rt zętǝ (L270p Tegelen)
|
Het veulen het zuigen ontwennen. [JG 1a, 1b; N 8, 59]
I-9
|
| 24247 |
sperwer |
sperwer:
sjperwer (L270p Tegelen)
|
sperwer [DC 42b (1967)]
III-4-1
|
| 20535 |
spetteren |
spetteren:
sjpèttərə (L270p Tegelen)
|
sudderen; Hoe noemt U: Knetteren van de boter in de pan bij verhitting (snerken, sudderen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26360 |
spie |
kijl:
kīl (L270p Tegelen),
kijltje:
kīlkǝ (L270p Tegelen),
spie/spij:
spi (L270p Tegelen)
|
De zeisring, die steel en blad verbindt, wordt vastgeslagen door middel van een spie, of door twee of meer spietjes. Doorgaans zijn ze van hout, omdat deze het beste vast blijven zitten; soms vindt men ook een ijzeren spie, vaak in combinatie met een houten. Zie ook de toelichting bij het lemma ''zeisring'', en afbeelding 4, nummer A4 en B4. [N 18, 67e; JG 1a, 1b, 2c; add. uit A 14, 2] || Een stukje stof of voering dat tussen een inknipping wordt genaaid om een verwijding te verkrijgen (Meima I, pag. 45). Hierdoor ontstaat plaatselijk meer ruimte, in het bijzonder bij de schouders. [N 59, 100a]
I-3, II-7
|
| 30443 |
spie van het anker |
kijl:
ki.l (L270p Tegelen)
|
De spie waarmee schieter en sleutel met elkaar verankerd kunnen worden. Zie ook afb. 72. [N 31, 38c; monogr.]
II-9
|
| 19804 |
spiegel |
spiegel:
špēgǝl (L270p Tegelen)
|
De naad tussen kraag en revers, waar de kraag aan de revers wordt gehecht. [N 59, 122a]
II-7
|
| 21430 |
spieken |
smokkelen:
§jmoekkele (L270p Tegelen)
|
spieken; Hoe noemt u bij een proefwerk stiekum gebruik maken van een boek of een papiertje/ [DC 48 (1973)]
III-3-1
|
| 17569 |
spier |
spier:
sjpier (L270p Tegelen)
|
pees, spier [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 22401 |
spiertje trekken |
touwtje trekken:
toeke-trêkke (L270p Tegelen)
|
Door t lot bepalen wie de eerste (evt. winnaar) zal zijn; gewoonlijk door t trekken van n stokje of lucifer uit n rijtje van ongelijke lengte, dat men verdekt in de hand houdt.
III-3-2
|
| 29816 |
spiesteen, boogsteen |
boogsteen:
bǭxštęjn (L270p Tegelen
[(meervoud: bǭxšt ̇ęjn)]
)
|
Metselsteen met naar één kant aflopende dikte. Zie ook afb. 27. [N 32, 24a; monogr.]
II-8
|