| 33096 |
spits, kop van de mijt |
kap:
kap (L270p Tegelen)
|
Het bovenste stukje van het dak van de korenmijt. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). [JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 33589 |
spitskool |
chou-pain (fr.):
wrsch verbastering van Fr chou-pommé spitskool
sjepèng’ (L270p Tegelen)
|
spitskool
I-7
|
| 32749 |
spitten |
omdoen:
ømdō.n (L270p Tegelen),
omspaden:
ø̜m[spaden] (L270p Tegelen),
spaden:
špāi̯ǝ (L270p Tegelen)
|
In de tuin, op een zeer klein perceel of een moeilijk te ploegen hoek van een akker de grond met een spade - al dan niet in voren - uitsteken en omkeren. De simplicia spaden, graven e.d. zijn bij absoluut gebruik van toepassing op het spitwerk als zodanig. Meestal kunnen ze ook transitief gebruikt worden met het te bewerken stuk grond (de tuin e.d.) als object. [N 11, 65a; N 11A, 146a + b + c; N 11A, 50b add; RND 4 + 7 + 8 + 10, zin 4; A 33, 6 + 7 + 16 add.; L 7, 25; S 34; Lu 1, 1c; monogr.; div.]
I-1
|
| 31841 |
sponningschaaf |
rabatschaaf:
rabatšāf (L270p Tegelen)
|
De smalle schaaf die gebruikt wordt om sponningen te steken of te verdiepen. Zie ook afb. 39. Er bestaan verschillende uitvoeringen van de sponningschaaf. Zo kan de breedte van de zool en beitel variëren en is er bij sommige modellen een breedte- en eventueel ook een dieptegeleider aangebracht. Zie ook het volgende lemma. De sponningschaaf zonder geleider wordt doorgaans boorschaaf genoemd. Hij wordt gebruikt om reeds geschaafde sponningen te vergroten of te verdiepen. [N 53, 63a-b; N 53, 64; N 53, 66; N G, 37a; monogr.]
II-12
|
| 19806 |
spons |
spons:
špons (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
spons om ruiten mee schoon te maken [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 31856 |
spookschaaf |
bastringue:
bastrɛŋ (L270p Tegelen),
patenthobel:
patɛnthupǝl (L270p Tegelen),
stokschaaf:
štǫkšāf (L270p Tegelen)
|
Klein, langwerpig schaafje, vroeger van hout, nu van ijzer, met twee handvatten en een schaafbeitel die door middel van twee schroeven in de gewenste stand wordt gebracht. De spookschaaf dient om hol- en bolvormige stukken glad te schaven. Zie ook afb. 49. De spookschaaf wordt door verschillende houtbewerkende beroepen gebruikt. De kuiper schaaft er bijvoorbeeld de buitenwand van vaten mee glad, terwijl de wagenmaker er wielspaken en andere gebogen oppervlakken mee bijwerkt. [N 53, 77; N E, 45a; N G, 38b; A 32, 3a-b; monogr.]
II-12
|
| 34483 |
sporen van de haan |
hanensporen:
hānǝspǭr (L270p Tegelen),
hānǝšpǭrǝ (L270p Tegelen)
|
Doornachtige hoornuitwas van de poten van de haan. [N 6, 3; L 7, 27b; monogr.]
I-12
|
| 19707 |
sport van een stoel |
sproot:
šprōͅt (L270p Tegelen)
|
sport van stoel
III-2-1
|
| 20449 |
spotnaam voor hoge hoed |
stovenbuis:
sjtove-buus (L270p Tegelen)
|
hoed, hoge ~: spotbemaningen [tarpot, titsj, hekteliter, böömert, handskow, kachelpiep, sjtief] [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 30098 |
spouw |
spouw:
špǫw (L270p Tegelen)
|
De luchtruimte tussen de beide delen van een spouwmuur. [N 31, 35d; monogr.]
II-9
|