| 30099 |
spouwanker |
spouwijzer:
[spouw]īzǝr (L270p Tegelen)
|
Haak van messing of gegalvaniseerd ijzer die de binnen- en de buitenspouwmuur met elkaar verbindt. In L 210 werd om de zeven steenlagen een spouwanker bevestigd. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '(spouw)-' het lemma 'Spouw'. [N 31, 35e; monogr.]
II-9
|
| 30257 |
spouwlat |
spouwlat:
[spouw]lat (L270p Tegelen)
|
Lat die tegen de muurzijde van de stijl wordt geslagen en in de spouw past. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '(spouw)-' het lemma 'Spouw'. [N 55, 15; N 32, 11b; monogr.]
II-9
|
| 30097 |
spouwmuur |
spouwmuur:
špǫw[muur] (L270p Tegelen)
|
Muur die bestaat uit twee evenwijdige, door een smalle luchtruimte van elkaar gescheiden muurdelen. De spouw dient om het inwendige van een huis tegen temperatuursveranderingen en tegen vocht te beschermen. Ter ventilering van de spouw brengt men in de muur op regelmatige afstanden roosters aan. Een spouwmuur kan bestaan uit twee halfsteensmuren of een steensmuur en een halfsteensmuur. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '-(muur)' het lemma 'Muur'. [N 31, 35a; monogr.]
II-9
|
| 24249 |
spreeuw |
spraan:
sjprāōn (L270p Tegelen),
spraon (L270p Tegelen),
šprōān (L270p Tegelen),
#NAME?
sjpraon (L270p Tegelen)
|
Hoe heet de spreeuw? [DC 06 (1938)] || spreeuw
III-4-1
|
| 21352 |
spreken, praten |
praten:
praote (L270p Tegelen),
proate (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
proaten (L270p Tegelen),
spreken:
sjpreeke (L270p Tegelen),
spréékə (L270p Tegelen)
|
praten [DC 02 (1932)] || spreken; ik versta jullie niet, jullie moeten een beetje harder - [DC 03 (1934)]
III-3-1
|
| 23602 |
sprenkelen met de wijwaterkwast |
besprenkelen met wijwater:
besjprinkele met wiewater (L270p Tegelen),
zegenen met wijwater:
zegene met wiewater (L270p Tegelen)
|
Met de wijwaterskwast sprenkelend door de kerk gaan, de besprenkeling met wijwater aan het begin van de hoogmis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24382 |
sprinkhaan |
sprinkhaan:
sjpringkhaan (L270p Tegelen),
sprinkhaan (L270p Tegelen)
|
sprinkhaan [DC 07 (1939)]
III-4-2
|
| 17591 |
sproeten |
sproetelen:
sjproetele (L270p Tegelen),
sproeten:
sjproe.ten (L270p Tegelen),
sjprōēte (L270p Tegelen),
sproejte (L270p Tegelen)
|
sproet, sproeten [sproewtels] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 27900 |
sprong |
sprong:
šprø̜ŋk (L270p Tegelen)
|
Extra ruimte in het bijzonder bij de schouderbeenderen en de armkogel, ingebracht door bijv. een plooitje af te rijgen, de binnenvulling op een bepaalde wijze te snijden en inknippingen te maken. Men voorkomt hierdoor dat het kledingstuk gaat trekken. [N 59, 100b]
II-7
|
| 21007 |
spruiten |
spruitjes:
sjpruutjes (L270p Tegelen),
sjprütjes (L270p Tegelen),
spruutjes (L270p Tegelen)
|
spruitkool, spruiten als gerecht [N Q (1966)]
III-2-3
|