| 33637 |
spruitkool, spruitje |
spruiten:
sjproete (L270p Tegelen),
sjpróet (L270p Tegelen),
spruitenkop:
sjpróe’tekop (L270p Tegelen),
spruitje:
sjpruutjes (L270p Tegelen)
|
[N Q (1966)]spruitkool || spruitkoolbladeren
I-7
|
| 34286 |
spruitpot |
spruitketel:
špruǝtkē̜tǝl (L270p Tegelen),
spruitpot:
špruǝtpot (L270p Tegelen)
|
Pot waarin men koren kookt, zodat het gaat zwellen. Vervolgens voert men dit aan beesten met name aan het paard. [N 18, 129]
I-11
|
| 17910 |
spuiten |
sprietsen:
sjprĭĕtsə (L270p Tegelen)
|
spuiten, met kracht door een nauwe opening naar buiten geperst worden, gezegd van water [spruiten, spritsen, sprietelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 17819 |
staan |
staan:
stōān (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
štoan (L270p Tegelen)
|
staan [DC 02 (1932)]
III-1-2
|
| 30135 |
staand verband, blokverband |
staand verband:
štǭnt ˲vǝrbant (L270p Tegelen),
štǭnt ˲vǝrbaŋk (L270p Tegelen)
|
n str'k˲vǝrbant K 353; kopstrekverband: kopstrek˲vǝrbant L 360; kǫpstrek˲- L 414; kopse en gewone laag: kǫpsǝ 'n gǝwōwǝn lāx K 278; %%de volgende term betreft een verband waarbij alle stootvoegen boven elkaar staan%% eenvoegig blokverband: ēfȳgex˱ blǫk˲vǝrba [N 31, 24c; N 31, 24e; monogr.]
II-9
|
| 19567 |
staande lamp |
schemerlamp:
sjemerlomp (L270p Tegelen)
|
lamp/ luchter; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 30143 |
staande rollaag |
strekse rollaag:
štrɛksǝ rǫllǭx (L270p Tegelen)
|
Muurafdekking in de vorm van een laag op hun kop staande metselstenen. Woordtypen als 'steensrol' (Q 95), 'steense rollaag' (L 211, L 289, L 290, L 291, L 320a, Q 99*, Q 113) en 'steensrollaag' (Q 39, Q 111, Q 121) verwijzen naar de hoogte van de rollaag. [N 31, 23c; monogr.]
II-9
|
| 30140 |
staande tand |
staande tand:
štǭndǝn taŋk (L270p Tegelen)
|
Eindvlak van tijdelijk onderbroken metselwerk. De uiteinden van de even en oneven lagen wisselen elkaar daarbij regelmatig en loodrecht onder elkaar af. Zie ook afb. 41. [N 31, 28c; N 31, 28a; monogr.]
II-9
|
| 26166 |
staander |
staander:
štø̜̄ndǝr (L270p Tegelen),
štɛndǝr (L270p Tegelen),
steigerhout:
[steiger]hǫlt (L270p Tegelen
[(meervoud: -hø̜ltǝr)]
),
steigerpaal:
[steiger]pǭl (L270p Tegelen
[(id)]
)
|
De lange, verticaal in of op de grond geplaatste steigerpaal van rondhout of metaal. Zie ook afb. 17. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '(steiger)-' het lemma 'Steiger'. [N 32, 2a; monogr.] || De zware verticale paal van de T-vormige karsteun. Zie ook afb. 196. [N G, 62b] || Het rechtopstaande deel van een omvallende kraag. [N 59, 123a]
II-12, II-7, II-9
|
| 20125 |
staart |
staart:
sjtert (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
stērt (L270p Tegelen),
stĕrt (L270p Tegelen),
stērt (L270p Tegelen),
stɛrt (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
štèrt (L270p Tegelen),
štɛrt (L270p Tegelen)
|
[A 2, 37; L 29, 27; S 35; monogr.]staart [DC 02 (1932)] || Zie afbeelding 2.37. [JG 1a, 1b; RND 60]
I-11, I-9, III-4-2
|