| 29972 |
steigerplanken |
steigerplanken:
[steiger]plɛŋk (L270p Tegelen)
|
De houten planken die op de kortelingen worden gelegd en de vloer van de steiger vormen. Zie ook afb. 18. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '(steiger)-' en '(stelling)-' het lemma 'Steiger'. [N 32, 3c; monogr.]
II-9
|
| 29968 |
steigerschoren |
schoorplanken:
šǭrplɛŋk (L270p Tegelen)
|
Planken die diagonaal aan de buitenzijde van de staanders worden gespijkerd ter versteviging van het geraamte. Zie ook afb. 17. [N 32, 2f; monogr.]
II-9
|
| 29965 |
steigertouw |
steigertouw:
[steiger]tǫw (L270p Tegelen)
|
Het touw waarmee de aanbinder aan de staanders wordt vastgebonden. Steigertouwen zijn vervaardigd van hennep of van vezelmateriaal van gelijke sterkte, zijn minimaal 5 m lang en hebben een doorsnede van minimaal 1 cm. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '(steiger)-' het lemma 'Steiger'. [N 32, 2c; monogr.]
II-9
|
| 29974 |
steigervloer |
steigervloer:
[steiger]vlūr (L270p Tegelen)
|
De uit steigerplanken samengestelde vloer waarop de metselaar staat. De woordtypen 'steiger' en 'stelling' zijn in dit lemma opgenomen omdat de invullers deze woorden ook gebruikten in de betekenis ...stellingvloerø̄. Doorgaans werd er aan het woord 'eerste', 'tweede', 'derde', etc. toegevoegd om de verschillende verdiepingen aan te duiden. Zie voor de fonetische documentatie van de woorden en woorddelen '(steiger)-' en '(stelling)-' het lemma 'Steiger'. [N 32, 3e; monogr.]
II-9
|
| 24383 |
stekelbaars |
pap-pens (metaf.):
vlak voor het kuitschieten
pap’pèns (L270p Tegelen),
roodvisje:
roëd’vêske (L270p Tegelen),
steekvisje:
sjtaek-vêske (L270p Tegelen),
stekelvisje:
sjtaekelvaeskes (mv.) (L270p Tegelen)
|
stekelbaars
III-4-2
|
| 21421 |
stelen |
stelen:
sleept.
sjtaele (L270p Tegelen)
|
stelen (geen context) [DC 38 (1964)]
III-3-1
|
| 31766 |
stelknoppen |
knoppen:
knyp (L270p Tegelen
[(enkelvoud: knup)]
),
pin:
pen (L270p Tegelen),
stelknoppen:
štęlknyp (L270p Tegelen),
zagenknoppen:
zāgǝknup (L270p Tegelen
[(enkelvoud: zāgǝknup)]
)
|
De knoppen aan de onderzijde van de spanzaagarmen, waartussen het blad van de spanzaag bevestigd is. De enkelvoudige opgaven uit het lemma kunnen ook verwijzen naar de handgreep die aan sommige spanzagen zoals de draaizaag en de schulpzaag bevestigd is en het mogelijk maakt het zaagblad te draaien. Vgl. ook woordtypen als handgreep, handvat en snade. [N 53, 8d; N I, 1d]
II-12
|
| 30018 |
stelling |
kalkbok:
kalǝk˱buk (L270p Tegelen),
spijsbok:
[spijs]˱buk (L270p Tegelen)
|
Doorgaans uit drie poten opgebouwde stellage waar de mortelbak tijdens het vullen op wordt geplaatst. De stelling wordt ook gebruikt bij het beladen van het steenbord. Zie ook afb. 23. Met de termen 'bok' of 'schraag' duidde men in Q 121 een houten schraag met uitstekende dwarsplanken aan. Op de planken werden op heuphoogte van de metselaar de mortel en de stenen gedeponeerd zodat deze zich niet te diep hoefde te bukken. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '(mortel)-', '(spijs)-' etc. het lemma 'Mortel'. [N 30, 45c; monogr.; div.]
II-9
|
| 32686 |
stelmechanismen aan de ploeg |
hendel:
hɛndǝl (L270p Tegelen),
schroef:
šrūf (L270p Tegelen),
stelschroef:
štɛ l̝šrūf (L270p Tegelen),
verstelstang:
vǝrštęlštaŋ (L270p Tegelen)
|
Aan een ploeg zijn verschillende mechanismen of onderdelen te onderscheiden, die dienen om de diepte en breedte van de voor, alsmede de stand van de werkende delen van de ploeg te regelen. Naar de benamingen hiervoor werd niet in het hele gebied ge√Ønformeerd. Mede daarom werden de betrokken gegevens in één lemma bijeengezet. De regelende onderdelen in kwestie zijn hieronder per soort nader toegelicht. Men vergelijke het vorige lemma. [N 11, 31.IV.d; N 11, 32b; N 11A, 93b + 98a + 98d; JG 1a; monogr.]
I-1
|
| 32215 |
stelpin van de spaakzwei |
speekveer:
špęj.k˲vē̜r (L270p Tegelen)
|
De verstelbare pin van de spaakzwei waarmee de hellende stand ten opzichte van de naaf wordt bepaald. Bij sommige wagenmakers, bijvoorbeeld in Echt (L 381) en Limbricht (L 434) was dit onderdeel van de spaakzwei van hout vervaardigd. In Echt (L 381) was het van een maatindeling voorzien. Ook de woordtypen speekveer, spekenveer en veer duiden eerder op een houten latje. [N G, 21b]
II-12
|