| 19308 |
stiekem |
geniep:
geniep (L270p Tegelen),
geniepig:
geniepig (L270p Tegelen),
stiekem:
sjtiekem (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
sjtikum (L270p Tegelen),
stiekem (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
heimelijk, stiekem, in het geniep [stilles] [N 07 (1961)]
III-1-4
|
| 34050 |
stier |
stier:
stīr (L270p Tegelen)
|
Mannelijk, niet gecastreerd rund. [JG 1a, 1b; A 4, 12; Gwn V, 1; L 7, 46; L 14, 14; L 20, 12; R 3, 38; S 35; Wi 14; monogr.; add. uit N 3A, 15]
I-11
|
| 18003 |
stijf van vingers en handen |
houterig (bn.):
houterig (L270p Tegelen),
latterig (bn.):
latterig (L270p Tegelen),
scheef:
sjeif vingers (L270p Tegelen),
sjeif vüs (L270p Tegelen),
stijf:
sjtīēf (L270p Tegelen),
stiéf (L270p Tegelen)
|
stijf, van vingers en handen gezegd [scheef] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 19641 |
stijfsel |
stijf:
štīf (L270p Tegelen),
stijfsel:
stiefsel (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt u de witte stof die gebruikt wordt om linnen stijf te maken (witte klontjes)? (stessel) [N 104 (2000)] || stijfsel
III-2-1
|
| 27438 |
stijl |
deurstijl:
dø̄rštīl (L270p Tegelen),
houteren stijl:
hø̜ltǝrǝ štīl (L270p Tegelen)
|
Het verticale deel van een kozijn waaraan de deur of het raam zijn opgehangen of waartegen deze aanslaan. Kozijnstijlen waren vroeger doorgaans van grenehout, tegenwoordig zijn zij ook van hardhout, metaal of kunststof. [N 55, 7a; monogr.]
II-9
|
| 30180 |
stijlvoetplaat |
grondplaat:
groŋkplāt (L270p Tegelen)
|
De onderste regel van het raamwerk waarop de muurstijlen worden geplaatst. In Q 20 rustte de muurplaat op een gemetselde fundering die 'gezwel' ('gǝšw'l', mv. 'gǝšw'ldǝr') werd genoemd. [N 4A, 52d; monogr.; Vld]
II-9
|
| 30015 |
stijve mortel |
te droge spijs:
tǝ dryǝgǝ špī.s (L270p Tegelen),
te droog:
tǝ drȳǝx (L270p Tegelen)
|
Metselmortel waar weinig water in is verwerkt. Zie voor de fonetische documentatie van het woord '(spijs)' het lemma 'Mortel'. [N 30, 43a; monogr.]
II-9
|
| 28975 |
stiksteek |
achtersteek:
axtǝrštēk (L270p Tegelen),
stiksteek:
štekštēk (L270p Tegelen)
|
Fijne, rechte steek. De stiksteek verbindt twee delen aan elkaar. Hij is een achtersteek, die van boven één steeklengte terug en van onderen steeds twee steeklengtes voorwaarts wordt gestoken. De steken volgen elkaar met onzichtbare tussenruimtes op. Zie afb. 32. [N 59, 54; N 62, 9; N 62, 16a; L 31, 46]
II-7
|
| 28859 |
stikzijde |
stikzij(de):
štekzi (L270p Tegelen)
|
Zijdegaren om mee te stikken of te naaien. [N 59, 7c; N 59, 7a; N 62, 57]
II-7
|
| 34018 |
stilstaan |
hu(j):
hȳi̯ (L270p Tegelen),
ju(j):
jȳi̯ (L270p Tegelen)
|
Voermansroep om het paard te doen stilstaan. [JG 1b; N 8, 95e en 96; L B 2, 257; L 36, 81e; monogr.]
I-10
|