| 33419 |
stookgat van de oven |
ovensdeur:
ǭvǝs˱dø̄r (L270p Tegelen),
ovensdeurtje:
ǭvǝs˱dø̄rkǝ (L270p Tegelen)
|
De benaming voor het stookgat van de oven dat voorzien is van een ijzeren deurtje. Vergelijk het lemma "ovenmond" in aflevering II.1, pag. 71. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) (oven-) het lemma "bakoven" (3.1.3). [N 5A, 79b]
I-6
|
| 33357 |
stookhuis, plaats voor de veevoerkookketel |
voerhuis:
vōrhūs (L270p Tegelen),
voorstal:
vø̄rštal (L270p Tegelen)
|
De plaats in de stal, of de ruimte vooraan in de stal, waar de veevoerkookketel staat. Soms heeft men geen aparte ruimte voor dit doel en kookt men het veevoer in de bijkeuken. In andere gevallen, zoals in K 358 staat deze ketel meestal buiten, of, zoals vermeld in L 360, heeft men er een apart gebouwtje voor naast de stal. Dikwijls ook kookt men in het bakhuis, waar ook het brood gebakken wordt (L 426), vandaar de frequente (bakhuis)-opgaven; vergelijk de kaart. Zie voor de fonetische documentatie van enkele van deze (bakhuis)-opgaven het lemma "bakhuis" (3.1.2). Zie ook afbeelding 8 bij het lemma "voorstal" (2.2.5). [N 5A, 35c en 60c: L 1, a-m; S 50; monogr.]
I-6
|
| 29784 |
stookpotten |
stookgaten:
štōk˲gātǝ (L270p Tegelen)
|
Ronde gaten in het gewelf boven de kamers, afgesloten door ijzeren deksels, waardoor de brandstof toegevoerd wordt. In Q 83 werden de kolen door het kijkgat in de oven geschept. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛkijkgatɛ.' [N 98, 136; N 98, 137; monogr.]
II-8
|
| 28911 |
stoomstrijkijzer |
stoompersijzer:
štǫwmpɛrsīzǝr (L270p Tegelen)
|
Strijkijzer met water erin dat tijdens het strijken verdampt tot stoom die uit openingen in de zoolplaat komt, om het strijkgoed te bevochtigen. [N 59, 21d; N 59, 20]
II-7
|
| 34577 |
stootring |
as:
as (L270p Tegelen),
stootschijf:
štūǝtšīf (L270p Tegelen)
|
Verdikking van de as tussen de asarm en het asblok waardoor het wiel op een veilige afstand van het asblok gehouden wordt. De stootring kan met de as worden meegegoten maar er ook als een los element om bevestigd zijn. [N 17, 52 + 54 + add; N 18, 98d + 99; N G, 49a, 53f; JG 1a; JG 1b; JG 1d; JG 2b; L 20, 20a; L 39, 21 + 22; A 4, 20a; Wi 15; monogr.]
I-13
|
| 30161 |
stootvoeg |
opstaande voeg:
ǫpštǭndǝ vōx (L270p Tegelen),
staande voeg:
štǭndǝ [voeg] (L270p Tegelen)
|
Verticale voeg. Zie ook afb. 41. Het woordtype 'dilitatievoeg' (L 382) duidt een voeg aan die wordt aangebracht om te verhinderen dat bij grote temperatuurwisselingen scheuring in het metselwerk zal optreden. Zie voor de fonetische documentatie van het woord en woorddeel '(voeg)' het lemma 'Voeg'. [N 32, 29c; monogr.]
II-9
|
| 19698 |
stop voor fles of kruik |
kruikenstop:
krūkəštoͅp (L270p Tegelen),
stop:
štoͅp (L270p Tegelen)
|
kurk of andere sluiting op flessen of kruiken || kurk op kruik of fles
III-2-1
|
| 30669 |
stopmes |
stopmes:
štǫpmɛts (L270p Tegelen)
|
Het, meestal houten, werktuig waarmee de biezen en lissen tussen de bodemplanken en tussen kroos en bodem te duwen. In Kortessem (Q 74) werd als stopmes een rond keukenmes gebruikt. [N E, 54b]
II-12
|
| 33062 |
stoppeleinde van de schoof |
vot:
vǫt (L270p Tegelen)
|
De onderkant van de schoof, daar waar de halmen afgesneden zijn. Zie afbeelding 7. [N 15, 21a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 33104 |
stoppelland |
stoppeleveld:
štǫpǝlǝvęlt (L270p Tegelen),
stoppelland:
štǫpǝlaŋk (L270p Tegelen)
|
Het akkerland waarop stoppels staan; zie het vorige lemma ''stoppels'' (5.2.8). Voor de fonetische documentatie van het woord stoppelen, zie ook het lemma ''stoppels'' (5.2.8). [N 15, 51; add. uit N 6, 7; monogr.]
I-4
|