| 25228 |
tocht, zuiging van lucht |
trek:
trek (L270p Tegelen)
|
tocht, vrij sterke zuiging van de lucht door een beperkte ruimte heen [scheut, trek, zicht, jacht, trok] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24255 |
tochtig |
bokkig:
bukex (L270p Tegelen),
rijp:
rīp (L270p Tegelen),
rinds:
reŋs (L270p Tegelen),
rits:
rēts (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
tochtig:
tø̜xtex (L270p Tegelen),
tø̜xtǝx (L270p Tegelen)
|
Geslachtsdrift vertonend, gezegd van de geit. [N 19, 70b; N 77, 95; JG 1b; N C, 4c; S 52, L 378 add.; monogr.] || Geslachtsdrift vertonend, gezegd van de koe. [N 3A, 29; N C, 4a; JG 1a, 1b; Gwn V, 3; monogr.; add. uit N 3A, 21; N 3A, 9b] || Geslachtsdrift vertonend, gezegd van het vrouwelijk schaap. [N 19, 70a; N C, 4b; JG 1a, 1b, 1c, 2c; monogr.]
I-11, I-12
|
| 33652 |
toegang tot akker |
opvaart:
opvaart (L270p Tegelen)
|
[N 11, 8]
I-8
|
| 33697 |
toegangsweg naar het erf |
opvaart:
ǫp˲vārt (L270p Tegelen)
|
Toegangsweg of oprijlaan naar het boerenerf. [N 5A, 75a; N 5, 110; N P, 2 add.; monogr.]
I-8
|
| 19663 |
toilet |
huisje:
vero.
hyskə (L270p Tegelen),
vroeger
hyskə (L270p Tegelen),
plee:
plē (L270p Tegelen),
schijthuis:
šī.thū.s (L270p Tegelen),
w.c.:
wēsē (L270p Tegelen)
|
ouderwetse toiletruimte in achterkeuken of achterbouw || toilet || wc, toilet [N 05A (1964)]
III-2-1
|
| 19583 |
tondel |
lont:
lônt (L270p Tegelen),
zwam:
zjwam (L270p Tegelen)
|
ontvlambaar materiaal in de tondeldoos [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19542 |
tondeldoos |
tondel:
tôndel (L270p Tegelen)
|
tondeldoos, koperen huls gevuld met licht ontvlambaar materiaal (tintelton, tinteldoos) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 23097 |
toneel |
bhne (du.):
Du. Bühne.
buun (L270p Tegelen)
|
Toneel.
III-3-2
|
| 17620 |
tong |
tussenbrug:
tø̜sǝbrø̜k (L270p Tegelen),
wang:
waŋ (L270p Tegelen)
|
De gemetselde afscheiding tussen twee rookkanalen in een schoorsteen. De term 'wang' (L 270) wordt doorgaans gebruikt voor de zijmuren van een uitgebouwd rook- en/of wasemkanaal. [N 32, 25c; monogr.]
II-9
|
| 30128 |
tongewelf |
duiker:
dȳkǝr (L270p Tegelen)
|
Gewelf waarvan de dwarsdoorsnede een halve cirkel of een ellips is. [N 32, 22b]
II-9
|