| 34649 |
tonneau |
tonneau:
tonō (L270p Tegelen)
|
Laag tweewielig rijtuigje voor vier personen met banken in de lengte van de bak en een achteringang. Het heeft vrij hoge wanden met afgeronde hoeken, waardoor het op een ton lijkt, en het is volledig open. Er is geen aparte bok voor de koetsier. [N 17, 5, add; N 101, 7; N G, 51; monogr.]
I-13
|
| 34588 |
toot |
achtertompen:
axtǝrtømp (L270p Tegelen),
kartomp:
(mv)
kęrtømp (L270p Tegelen),
tomp:
tomp (L270p Tegelen),
tompen:
tømp (L270p Tegelen)
|
Elk van de uitstekende delen van de berries (bij de hoogkar) of de bakbomen (bij de slagkar) achter aan de kar. De opgaven van de woordtypen top, stoot en stots zonder meervoudsuitgang zijn als meervoudig geïnterpreteerd wegens hun velair vocalisme. Door het ontbreken van een mogelijke enkelvoudige tegenopgave, is het echter mogelijk dat het hier om enkelvoudsopgaven gaat. Met het woordtype staart wordt het geheel aangeduid, in tegenstelling tot de andere woordtypen, waarmee elk deel afzonderlijk wordt benoemd. [N 17, 28 + 37a; N G, 59a; monogr]
I-13
|
| 32236 |
tootbeslag |
beslag:
bǝšlāx (L270p Tegelen),
tompbeugels:
tomp˱bø̄gǝls (L270p Tegelen)
|
Het metalen beslag dat aan de achterkant van de kar ter bescherming om de uitstekende delen van de berries (bij de hoogkar) of bakbomen (bij de slagkar) wordt aangebracht. Zie ook het lemma ɛtootɛ in wld I.13, pag. 41.' [N G, 59b]
II-12
|
| 23464 |
torenhaan |
t hantje van dn taore?].:
haan (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
windwiezer (L270p Tegelen)
|
De haanvormige windwijzer boven op de torenspits [weerhaan, windhaan [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23456 |
torenspits |
dak van de toren:
et daak van de toren (L270p Tegelen),
spits:
sjpits (L270p Tegelen),
sjpits van de tore (L270p Tegelen)
|
De spits van de kerktoren; deze is meestal met leien bedekt. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23300 |
torenuurwerk |
kerkklok:
kerkklok (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
uurwerk:
oorwerk (L270p Tegelen)
|
Het uurwerk in de kerktoren, de torenklok [kerkklok, kerkuur?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24256 |
torenvalk |
torenvalk:
toorevalk (L270p Tegelen)
|
torenvalk
III-4-1
|
| 29108 |
tornen |
lostornen:
lostǫrnǝ (L270p Tegelen)
|
De naad of steken losmaken en uithalen. [N 62, 22; A 4, 27b; L 20, 27b; Gi 1.IV, 20; MW; S 38]
II-7
|
| 22025 |
tortelduif |
lachduif:
lachdoef (L270p Tegelen)
|
tortelduif
III-4-1
|
| 23159 |
touwtjespringen |
touwtjespringen:
/
touwke sjpringe (L270p Tegelen),
[niet in woordenlijst]
touwke sjpringe (L270p Tegelen)
|
[Touwtje springen]. || touwtje springen [SND (2006)]
III-3-2
|