| 19292 |
treiteren |
transeneren:
cf. VD s.v. "transeneren"= (gew.) kwellen, plagen, mishandelen
transenee’re (L270p Tegelen)
|
sarren, plagen, pesten
III-1-4
|
| 20485 |
trek, eetlust |
honger:
hòngər (L270p Tegelen)
|
trek; Hoe noemt U: Zin in eten (trek, appertijt, appetijt, goesting, kop) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 29471 |
trekboom |
trekker:
trękǝr (L270p Tegelen)
|
Lange houten stok waarmee de schijftrekker de trekschijf in beweging zet. [N 49, 27d]
II-8
|
| 29532 |
trekgat, kijkgat |
kijkgat:
kī̄.k˲gāt (L270p Tegelen),
lochtgat:
lox˱gāt (L270p Tegelen)
|
Elk van de luchtgaten (vaak tevens kijkgaten) die voor de luchttoevoer in de oven dienen en de gaten waarachter de proefstukken liggen. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛaflichtenɛ. In L 163 bevatte de oven zowel trekgaten als kijkgaten. De kijkgaten bevonden zich achter in de buitenmuur van de oven. Zo kon men via de rookkamer aan de achtermuur zien of de oven goed gebakken was, dus voldoende temperatuur had. In L 270 werd er ieder keer wanneer de oven werd volgezet een vloer gelegd, waaronder zich kanaaltjes voor de trek bevonden.' [N 49, 79a; N 49, 79b; N 49, 79c; monogr.]
II-8
|
| 33955 |
trekhaken, -ogen |
ogen:
ǫu̯gǝ (L270p Tegelen),
trekhaken:
trękhø̜̄k (L270p Tegelen),
%%enkelvoud%%
trękhǭk (L270p Tegelen)
|
IJzeren haken of ogen die aan de voorkant van het haam aan de haamijzers of treiten bevestigd zijn, op elke haamspaan een. Aan die haken of ogen worden de strengen bevestigd waarmee het paard trekt. Er zijn hamen met ogen, dan hebben de strengen aan het uiteinde haken, heeft het haam daarentegen haken, dan zijn de strengen aan het uiteinde van ogen voorzien. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 6a en 6b; N 36, 12]
I-10
|
| 22743 |
trekharmonica |
accordeon:
tegenwoordig meer in gebruik
accordeon (L270p Tegelen),
trekmonica:
verouderd
trêkmonika (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt men in uw dialect de trekharmonica of accordeon? Het gaat om de meest gebruikte benaming, niet om grappige namen. [DC 52 (1977)]
III-3-2
|
| 30062 |
trekhei |
heitoestel:
hęjtuštęl (L270p Tegelen)
|
Toestel om met behulp van handkracht palen in de grond te slaan. Het bestaat uit een uit drie poten samengestelde standaard waarin een katrolschijf is gemonteerd. Over de schijf loopt een dik touw waar aan één uiteinde het heiblok aan is bevestigd. Aan het andere uiteinde van het touw zijn een aantal dunnere touwen vastgemaakt waar de arbeiders aan trekken. Het heiblok is vervaardigd uit een langwerpig stuk hard hout of metaal met vierkante doorsnede. Er bestaan ook vergelijkbare werktuigen die met behulp van een stoommachine, een electromotor of een verbrandingsmotor worden aangedreven. De heireep van het heiblok wordt daarbij opgewonden op de trommel van een liertoestel. Zie ook afb. 27. [N 31, 5c; monogr.]
II-9
|
| 21580 |
trekken en talmen |
melken:
melke (L270p Tegelen),
mèt de prieze ligke te mêlke (L270p Tegelen),
pingelen:
pingele (L270p Tegelen)
|
Trekken en talmen bij de verkoop, n.l. om zoveel mogelijk geld te krijgen [mulken?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 29781 |
trekopeningen |
schlitzen:
šlitsǝ (L270p Tegelen)
|
Kanalen door de bodem van de oven voor de rookafvoer naar de schoorsteen. De trekopeningen vormen de verbindingen tussen de verschillende kamers in het stookkanaal en het rookkanaal. Het uiteinde van de trekopeningen in het stookkanaal werd in Q 111 de mond (d\r mont) genoemd. In Q 83 werd het woordtype fosse alleen gebruikt bij ringovens; bij veldovens sprak men van ɛjachtenɛ. Zie ook afb. 25.' [N 98, 132; N 98, 133; monogr.]
II-8
|
| 34589 |
trekschei |
klingschei:
kleŋšęi̯ (L270p Tegelen),
trekschei:
tręksxē̜ (L270p Tegelen)
|
De eerste van de verbindingscheien tussen de berries. Aan de uitstekende delen schei werden vaak de trekkettingen of de strengen vastgemaakt met behulp van platte, gebogen ijzers. Zie ook het lemma uitstekende delen van de trekschei en in WLD I.10, het lemma strengen. Zowel het feit dat er opgaven in het meervoud voorkomen als de opmerking van de correspondent uit Q 111 wijzen erop dat ook de tweede schei als trekschei gebruikt wordt: "het vastmaken van de strengen is hier gebruikelijk aan het tweede balkje indien licht geladen, anders aan het eerste balkje". Opmerking bij de kaart: er zijn vier benamingen die op het eerste zicht samenstellingen zijn van de plaatselijke benaming voor "streng" (hacht, kling, klink en trek). De verspreiding van "trekschei" stemt echter hoegenaamd niet overeen met de verspreiding van trek voor "streng", wat doet besluiten dat het hier om een samenstelling met een deverbativum van het werkwoord trekken gaat (vgl. hiervoor kaart 16 van wld I.10). [N 17, 25a; N G, 58b; JG 1a; JG 1b]
I-13
|