| 18083 |
tuberculose |
t.b.c.:
t.b.c. (L270p Tegelen),
tering:
tē̜reŋ (L270p Tegelen)
|
Een besmettelijke ziekte die ontstaat doordat tuberkelbacteriën in het lichaam van het dier geraken. De besmetting kan op verschillde wijzen gebeuren: direct, doordat de smetstof met de ingeademde lucht of het opgenomen voedsel van lijders aan tuberculose belandt in het lichaam van gezonde stalgenoten; indirect, doordat de smetstof via zuivelfabrieken met de melk van het ene bedrijf op het andere terechtkomt. Het is een slepende ziekte. Zie ook het lemma ''tuberculose'' in wbd I.3, blz. 483.' [N 3A, 85a; N 52, 17a; A 48A, 30a]
I-11
|
| 34289 |
tuieren |
tuieren:
tyǝrǝ (L270p Tegelen),
tȳrǝ (L270p Tegelen)
|
Een koe of geit laten grazen aan een touw dat met een paal in de grond bevestigd is. Men doet dit om het af te grazen stuk grasland te beperken. [N 3A, 14h; N 14, 71; L 27, 5; A 17, 20; JG 1c, 2c; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 34296 |
tuierhamer |
tuierhamel:
tȳǝrhāmǝl (L270p Tegelen),
tuierhamer:
tȳrhāmǝr (L270p Tegelen)
|
De zware, houten hamer waarmee men de tuierpaal in de grond drijft. [N 14, 73b en 74; N 3A, 14h; A 17, 20; monogr.; add. uit N 14, 71; S 15]
I-11
|
| 34293 |
tuierpaal |
paal:
pǭl (L270p Tegelen),
tuierhaak:
tȳrhǭk (L270p Tegelen),
tuierpaal:
tȳi̯ǝrpǭl (L270p Tegelen),
tȳrpǭl (L270p Tegelen)
|
De tuierpaal is een houten of ijzeren paal die men met de tuierhamer in de grond slaat en waaraan de koe of geit wordt vastgebonden. [N 14, 72 en 73a; N 3A, 14h; JG 1c, 2c; L 40, 21a; L B2, 286; A 17, 20; monogr. add. uit N 14, 71]
I-11
|
| 34291 |
tuierplaats |
tuier:
tyi̯ǝr (L270p Tegelen),
tȳr (L270p Tegelen)
|
Cirkelvormig stuk weiland dat een getuierde koe of geit kan afgrazen. [N 14, 72; monogr.]
I-11
|
| 34295 |
tuiertouw, tuierketting |
ketting:
kɛteŋ (L270p Tegelen),
tuierketting:
tȳǝrkɛteŋ (L270p Tegelen)
|
Het touw of de ketting waarmee men de koe of de geit aan de tuierpaal vastmaakt. [A 17, 20; N 3a, 14h; JG 1c, 2c; monogr.; add. uit N 14, 73b]
I-11
|
| 34292 |
tuiertuig |
tuier:
tȳr (L270p Tegelen)
|
Het tuiergereedschap in het algemeen. [N 3A, 14h]
I-11
|
| 19772 |
tuin |
hof:
hōͅ.f (L270p Tegelen)
|
tuin
III-2-1
|
| 33506 |
tuinbonen |
wollebonen:
wölleboë’ne (L270p Tegelen)
|
tuinbonen
I-7
|
| 30191 |
tuinen |
bijwerken:
bęjwęrǝkǝ (L270p Tegelen),
opmaken:
opmākǝ (L270p Tegelen)
|
Vlecht- en pleisterwerk herstellen of vernieuwen. Het lemma bevat algemene benamingen voor het herstelwerk aan vakwerk, maar ook termen die specifiek het repareren van het pleisterwerk ('bijplekken', 'bijklenen', 'plaasteren', etc.) of het aanbrengen van nieuw vlechtwerk ('hervitsen', 'opnieuw vitsen', etc.) aanduiden. Het woordtype 'tuinen' is ook in L 332, Q 28 en Q 98 bekend. Het wordt daar echter uitsluitend gebruikt voor het dichten van hagen of het afrasteren van weilanden. [N 4A, 53i]
II-9
|