| 23343 |
vormsel |
vormsel:
vormsel (L270p Tegelen)
|
Het Vormsel [firmoeng]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 29671 |
vormtafel |
vormtafel:
vǫrǝmtǭfǝl (L270p Tegelen)
|
De tafel waarop de klei in de vormbak wordt gedrukt. [N 98, 73; monogr.]
II-8
|
| 25202 |
vorst, het vriezen |
gevreur:
gevreur (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
gevreur⁄ (L270p Tegelen),
gevrèùr (L270p Tegelen),
vorst:
vors (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
vorst, het vriezen || vorst, het vriezen [gevreur] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 29897 |
vorstpan |
afdekpan:
āf˱dękpan (L270p Tegelen),
vorstpan:
vǫrspan (L270p Tegelen)
|
Halfronde pan waarmee de nokken en hoekkepers van het dak worden bedekt; ook de soortgelijke pan voor de afdichting van de nok of de naden van het dakschild van een rieten dak. Vorstpannen worden met spijkers op de dakruiters vastgezet en met specie aan elkaar bevestigd. In Q 77b werd niet met vorstpannen gewerkt. Men smeerde daar de nok van het dak in met cement. Het woordtype broekstuk (L 290, L 372) duidt een pan aan die de verbinding vormt tussen de vorstpannen en de pannen die over de naden van het dakschild worden gelegd. [N 32, 45b; N 32, 45c; N 4A, 34a; N 4A, 34c; N F, 8]
II-8
|
| 33811 |
vos, vospaard |
voes:
vus (L270p Tegelen)
|
Licht- of rosbruin paard met witte manen, staart en poten. Onder de vossen zijn er diverse kleurnuanceringen: roodvossen (rode tot dieprode globe), goudvossen, zweetvossen (zwartachtig rood naar geel overhellend en glimmend), lichte vossen (geelbruin tot geelbruin), donkere vossen (van donkerbruin tot zeer donker roodbruin). [JG 1a, 1b; N 8, 63g, 63h en 63j]
I-9
|
| 33693 |
vredewis |
vreewis:
vrei̯węs (L270p Tegelen)
|
Bosje stro, gras of iets dergelijks op een stok of tak gebonden, en geplaatst op akkers en weiden, om aan te geven dat deze niet meer toegankelijk zijn o.a. voor weidend vee of jagers. [N M, 26; L 32, 80; monogr.]
I-8
|
| 20294 |
vriend |
kameraad:
kaməroət (L270p Tegelen)
|
vriend(in) [RND]
III-3-1
|
| 25203 |
vriesweer |
fris winterweertje:
fris wingkter-waerke (L270p Tegelen),
klaar weer:
klòòr wéér (L270p Tegelen),
schraal (weer):
sjraol (L270p Tegelen),
vinnig:
vínnig (L270p Tegelen),
vriesweer:
vruuswaer (L270p Tegelen)
|
vriezend weer, koud en droog [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25200 |
vriezenx |
bakken:
bakke (L270p Tegelen),
knapen:
knaape (L270p Tegelen),
knape (L270p Tegelen),
vreren:
vreere (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
vrèère (L270p Tegelen),
vrééren (L270p Tegelen),
(vroor-gevraore).
vree⁄re (L270p Tegelen),
vriezen:
’t haet gevròre (L270p Tegelen),
’t vrūūst (L270p Tegelen)
|
vriezen || vriezen [bieberen, bikken] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 23764 |
vrijdagavond |
vrijdagavond:
vriedaagaovend (L270p Tegelen)
|
De vrijdagavond. [N 96C (1989)]
III-3-3
|