| 18629 |
bont geruite langwerpige omslagdoek |
sjaal:
sjaal (L270p Tegelen)
|
omslagdoek, bont geruite langwerpige (stola-achtige) ~ voor meisjes [bonte nuzzik] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 34031 |
bonte koe met rode kop |
roodbonte koe:
rūǝtboŋtǝ [koe] (L270p Tegelen),
roodkop:
rūǝtkǫp (L270p Tegelen)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe''(3.3.1). [N 3A, 123a]
I-11
|
| 34038 |
bonte koe met zwarte kop |
zwartkop:
žwartkǫp (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 128]
I-11
|
| 24124 |
bonte kraai |
bonte kraai:
bongtə kreij (L270p Tegelen)
|
Hoe heet de bonte kraai? [DC 06 (1938)]
III-4-1
|
| 24125 |
bonte specht, specht |
draainekje:
alleen in kandidaatsscriptie soort specht
dreijnèkske (L270p Tegelen)
|
draaihals
III-4-1
|
| 18297 |
bontkraag |
pelskraag:
pelskraag (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
kraag van bont [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18682 |
bontmantel |
bontmantel:
bontmantel (L270p Tegelen),
bònkmankel (L270p Tegelen),
Bônk-mankel (L270p Tegelen),
maar dit is stilaan vervangen door "bôntmantel
bônk-mankel (L270p Tegelen),
vervangt stilaan bônk-mankel
Bôntmantel (L270p Tegelen),
pelsmantel:
pelsmankel (L270p Tegelen)
|
bontmantel [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 22552 |
boog |
boog:
baog (L270p Tegelen),
bǭx (L270p Tegelen),
enem bohch(j) (L270p Tegelen),
pijlenboog:
`n pielemboag (L270p Tegelen),
pi.ləmb^oͅ:ch (L270p Tegelen),
piélembaog (L270p Tegelen),
raamboog:
rāmbǭx (L270p Tegelen),
rondboog:
roŋk˱bǭx (L270p Tegelen),
spanboog:
španbǭx (L270p Tegelen)
|
boog [GTRP (1980-1995)], [RND] || Boog voor het schieten met pijlen. || Boog voor t pijlschieten. || Boog. || Gebogen holronde overdekking van een muuropening. Bogen worden vooral toegepast bij overspanningen die groter zijn dan 1 meter of bij zware belasting. Zie ook afb. 52. Met het woordtype 'segmentboog' wordt een boog in de vorm van een cirkelsegment aangeduid. De woordtypen 'strekboog', 'strek' en 'scheitrechte boog' worden gebruikt voor een boog met een horizontale welflijn. In L 290 en L 291 werd een halfronde boog zonder ramen vaak als ontluchting in de gevels van schuren of stallen aangebracht. Men noemde dit: 'een halve maan' ('ǝn halǝf mǭn'). In Q 121 werd in het midden van de boog dikwijls een ornament of kijlvormige gevelsteen geplaatst. Zie ook het lemma 'Sluitsteen'. [N 32, 16a; N 32, 17a; N 4A, 40a; monogr.]
II-9, III-3-2
|
| 28414 |
boogkorf |
boogkorf:
boogkorf (L270p Tegelen)
|
Langwerpige korf maar boogvormig aan de bovenzijde in de vorm van een broodtrommel, van stro gemaakt en met riet genaaid. De boogkorf is een tussenvorm tussen de oude, ronde strokorf en de moderne bijenkast. Een typisch voorbeeld van een boogkorf is de Gravenhorster boogkorf, die van stro over een mal gevlochten wordt en al naar gelang de grootte 9, 12 of 16 boograampjes bevat, welke in de kop van de korf door een zaag op de juiste afstand worden gehouden en van onderen met oognagels in de korfwand worden vastgezet (De Roever, pag. 170-171). De ramen zijn beweegbare, houten kaders die men naar believen uit de korf kan nemen of terugplaatsen. Een nadeel is dat, wanneer de vlechter niet al te minutieus heeft gewerkt of wanneer de korf door zijn gewicht gaat doorzakken, de raampjes niet meer uitneembaar zijn. Het principe van de Gravenhorster boogkorf is, dat hij is ontstaan door de combinatie van het goedkope materiaal stro en de voordelen van de losse bouw, namelijk ramen. [N 63, 3d; N 63, 2b; N 63, 3c]
II-6
|
| 31838 |
boogschaaf met bolle zool |
bootje:
bȳǝtjǝ (L270p Tegelen),
holschaaf:
hǫlšāf (L270p Tegelen),
hǭlšāf (L270p Tegelen)
|
Een blokschaaf waarvan de zool in de lengte gebogen is en die dient om iets holrond uit te schaven. Zie ook afb. 37. De boogschaaf met bolle zool wordt door verschillende houtbewerkers gebruikt. De kuiper werkt er bijvoorbeeld de holle binnenkant en binnenrand van vaten mee af en de wagenmaker schaaft er de holle binnenkant van velgsegmenten mee. Het eerste lid in de woordtypen velgerschaaf (Q 119) en vellingschaaf (Q 111) verwijst daar naar. [N 53, 80a; N G, 36a; N E, 35]
II-12
|