| 19396 |
deken |
deken:
daeke (L270p Tegelen)
|
Een deken, een geestelijke die belast is met het toezicht over enige parochies [däken]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24076 |
dekenaat |
dekenaat (<fr.):
daekenaat (L270p Tegelen)
|
Een dekenaat. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24407 |
dekken |
dekken:
dękǝ (L270p Tegelen)
|
Het bevruchten van het vrouwelijk varken door het mannelijk varken. [N 19, 30; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 43, 20b; monogr.]
I-12
|
| 28441 |
dekkleedje |
dekkleedje:
dękklętjǝ (L270p Tegelen)
|
Het dekkleedje is de ouderwetse manier van dakbedekking. Het is over het algemeen vervangen door de dekplank die veel voordelen biedt boven de kleverige kleedjes die vlak op de ramen liggen en daardoor de bijen verhinderen om over de toplatten van de ramen heen van raat naar raat te trekken. Bovendien verslijten de dekkleedjes gauw, ze maken de behandeling van de volken ruwer en stimuleren de wasmotplaag. [N 63, 10k]
II-6
|
| 30506 |
deklatten |
daklatten:
dāklatǝ (L270p Tegelen)
|
De latten op het dak waaraan de stro- of rietbedekking wordt vastgemaakt. [N F, 32b; N 4A, 14a]
II-9
|
| 19704 |
deksel |
deksel:
dēͅksəl (L270p Tegelen)
|
deksel
III-2-1
|
| 34253 |
deksel van de karnton |
deksel:
dęksǝl (L270p Tegelen)
|
Deksel met een opening voor de karnstaf. [A 7, 21; JG 1a, 1b; Ge 22, 38; N 12, add.]
I-11
|
| 29875 |
delen |
delen:
dęjlǝ (L270p Tegelen)
|
De houten of metalen schappen in de droogrekken waarop de droogplanken worden geplaatst. [monogr.]
II-8
|
| 29889 |
demphout |
demphout:
dɛmphǫlt (L270p Tegelen
[(dimunitief: dɛmphø̜ltjǝ)']
)
|
Het hout dat wordt gebruikt bij het blauwstoken van dakpannen. In L 290 werden daarvoor elzeschansen (ęlz\ēans\) gebruikt. In L 270 bestond het ɛdemphoutɛ uit op 1 m lengte gezaagd, halfdroog dennehout (Tegels Dialek, pag. 81), terwijl in L 331 de knoder (knø̜̜̄̄r) of stokken (ētø̜k) van dennebomen werden gebruikt. Dit waren de onderste delen van de boom met de wortels. Ook in L 374 en L 381 was het woord knoder in deze betekenis bekend (Donkers, pag. 49).' [N 49, 68b; monogr.]
II-8
|
| 33916 |
dempig |
dempig:
dɛmpex (L270p Tegelen)
|
Gezegd van runderen of paarden met dempigheid, een bemoeilijking van de ademhaling; bij runderen is het vaak een naziekte van het mond- en klauwzeer. Het paard vertoont een versnelde ademhaling, gepaard met een temperatuursverhoging en hoesten. Dempigheid of kortademigheid is niet chronisch, in tegenstelling tot ''cornage'' (7.38). [JG 1b; A 48A, 38a; L 1, a-m; L 23, 1a en 1b; N 8, 87, 88 en 89a; N 52, 24; S 6]
I-9
|