30094 |
halfsteense muur |
halfsteenmuur:
halǝfstijǝnmȳr (K353p Tessenderlo),
halve steensmuur:
hálǝvǝ stījǝnsmȳr (K353p Tessenderlo)
|
Muur ter dikte van de breedte van de gebruikte metselstenen. Zie ook afb. 34, 35, 36, 37. Zie voor de fonetische documentatie van het woord en woorddeel '(muur)' het lemma 'Muur'. [N 31, 37a; monogr.]
II-9
|
30129 |
halfsteensverband |
gewoon strekverband:
gǝwuwǝn strɛk˲vǝrbánt (K353p Tessenderlo),
halfsteensverband:
hálǝfstījǝns˲vǝrbant (K353p Tessenderlo)
|
Metselverband dat doorgaans wordt toegepast bij halfsteensmuren. Het bestaat uitsluitend uit strekkenlagen. De kopvoegen van een laag bevinden zich midden boven de strekken van de onderliggende laag. Zie ook afb. 34. ø̄In dit verband is de steen op zijnen platte kant en volgens zijne lengte gelegd, zoodat aan het buitenvlak van den muur enkel de streksche kant te zien isø̄ (Van Keirsbilck, pag. 400). [N 31, 24a; monogr.]
II-9
|
32442 |
halfwerk |
halfwerk:
halfwɛrk (K353p Tessenderlo)
|
Klomp met een binnenmaat van 16 tot 20.5 centimeter. [N 97, 139]
II-12
|
32400 |
halfwerkboor |
voorboor:
vørbǫwǝr (K353p Tessenderlo)
|
Avegaar die gebruikt wordt als schrooiboor voor klompen met een binnenmaat van ongeveer 16 tot 20.5 cm. De halfwerkboor is een vrij kleine boor; hij wordt ook gebruikt om klompen van een grotere maat dan halfwerk na te boren voordat men deze gaat schrooien. Zie ook het lemma ɛhalfwerkɛ.' [N 97, 84]
II-12
|
31379 |
halfzoetvijl |
halfzoete vijl:
halǝf.zȳtǝ vē̜l (K353p Tessenderlo)
|
Vijl met een vrij fijne kap. In grofte bevindt de halfzoetvijl zich tussen de bastaardvijl en de zoetvijl. Het blad van een halfzoetvijl heeft meestal ongeveer 36 tanden per inch (Handboek Gereedschap, pag. 238). De vijl kan diverse vormen hebben. [N 33, 88-89]
II-11
|
32987 |
halm, stengel van de graanplant |
halm:
halǝm (K353p Tessenderlo),
spier:
spīr (K353p Tessenderlo)
|
De graanhalm is de meestal ronde en gelede stengel van de te velde staande graanplant. Hier het algemene woord, dat veelal ook de benaming voor de gehele graanplant is. Een aantal termen (bv. spier, spit, ...) wordt niet alleen gebruikt voor de stengel van de te velde staande graanplanten, maar ook -en blijkens een niet gering aantal aar-opgaven wellicht nog meer- voor de geoogste en gedorste graanstengels, de strohalm; zie de toelichting bij het volgende lemma ''strohalm'' (1.3.2). Veelal zijn ze ook toepasselijk op de grasspriet (zie het lemma ''grasspriet'' (1.5) in aflevering I.3), enkele zelfs op de graankorrel (zie het lemma ''graankorrel'' (2.6) in deze aflevering). Voor een aantal plaatsen werd het tweelettergrepige ''spieren'' als enkelvoud opgegeven. Zie afbeelding 2, a. [N P, 4b; JG 1a, 1b; L 1, a-m; S 12; Wi 13; monogr.]
I-4
|
17627 |
hals |
hals:
hals (K353p Tessenderlo, ...
K353p Tessenderlo),
hāls (K353p Tessenderlo, ...
K353p Tessenderlo)
|
hals [N 10b (1961)] || Hals van een kledingstuk. [N 62, 31a; MW] || Het gedeelte van de huid dat de hals bedekt. Zie afb. 1. [N 36, 4; N 60, 3f; N 60, 3g, N 60, 247]
II-10, II-7, III-1-1
|
18419 |
hals [wld ii.7, p.86] |
hals:
hááls (K353p Tessenderlo)
|
Hoe noemt U: de hals van een kledingstuk (hals, nek?) [N 62 (1973)]
III-1-3
|
26222 |
hals van de as |
baan:
bǭn (K353p Tessenderlo)
|
Het gedeelte van de molenas dat op het metalen of hardstenen lager rust of draait. In geval van een houten as werd dit gedeelte vaak versterkt met smalle stroken ijzer, die in de lengterichting van de as werden aangebracht en waaromheen weer metalen banden werden bevestigd om het geheel bijeen te houden. Zie ook afb. 45 en de toelichting bij het lemma ɛlemmersɛ.' [N O, 10i; A 42A, 6]
II-3
|
18255 |
halsketting |
ketting:
ketting (K353p Tessenderlo),
əne gɛauə ketiŋ (K353p Tessenderlo)
|
een gouden ketting [ZND 01 (1922)] || Een gouden ketting [ketting, kettel, snoer] [N 114 (2002)]
III-1-3
|